*

 

Wie praat is geen dier

Marinus de Baar − 07/03/09, 15:00

Tot de achttiende eeuw waren filosofen ervan overtuigd dat mensen zich door het hebben van een taal van de dieren onderscheidden. Zij lieten zich niet van de wijs brengen door pratende papegaaien en eksters.

  • In Oost-Indië werd wel gedacht dat apen zich geen woord lieten ontvallen om te voorkomen dat ze door blanken aan het werk zouden worden gezet.  (Trouw)
    In Oost-Indië werd wel gedacht dat apen zich geen woord lieten ontvallen om te voorkomen dat ze door blanken aan het werk zouden worden gezet. (Trouw)

’Tjielp, tjielp’, zo luidt het motto van de boekenweek. ’Tjielp, tjielp’, zo praten mussen met elkaar. Wat zouden ze te zeggen hebben, die mussen? Zouden ze een eigen ’mussentaal’ hebben, met lokale dialecten? Zouden Franse mussen anders tjielpen dan hun Duitse soortgenoten en elkaar dus niet kunnen verstaan?

Dat soort zaken wordt tegenwoordig serieus onderzocht: biologen trekken met microfoon en opnameapparatuur door bos en veld om er allerlei dierengeluiden vast te leggen voor latere analyse. Wetenschappers zijn er nu wel van overtuigd dat dieren (en zelfs planten) op allerlei manieren met elkaar communiceren. Maar tot in de achttiende eeuw was taligheid (het hebben van een taal) één van de grote grenzen tussen mens en dier. Immers, een taal heb je om je gedachten in uit te drukken; dieren denken niet en hebben dus ook geen taal, dacht men.

René Descartes (1596-1650) heeft van alle filosofen de strengste grens getrokken tussen mens en dier. De scheidslijn liep bij hem tussen geest en materie. Enkel de mens heeft verstand en een taal. Een dier is materie en lijkt slechts intelligent gedrag te vertonen omdat het zo is geconstrueerd, net zoals een slim afgesteld apparaat ’intelligent’ lijkt.

Dat een dier over een taal zou beschikken, wijst Descartes uitdrukkelijk en uitvoerig af in het vijfde gedeelte van zijn ’Discours de la méthode’ (1637). Daar zegt hij dat elk mens, zelfs een krankzinnige, in staat is om woorden in zinnen te ordenen en gedachten tot uiting te brengen. Descartes moet wel hebben gedacht dat hij een voltreffer scoorde toen hij opmerkte dat zelfs doofstommen, die echt van alle taal verstoken lijken te zijn, toch nog tekens weten te bedenken waarmee zij kunnen communiceren met anderen.

Dieren kunnen dat niet. Descartes liet zich niet van de wijs brengen door papegaaien of eksters, die ook een woordje mee lijken te spreken, want die roepen maar wat zonder er blijk van te geven zich bewust te zijn van wat ze zeggen.

Papegaaien hebben bij anderen dan Descartes wel tot de verbeelding gesproken. Je ziet ze nog wel eens afgebeeld op schilderijen van het aards paradijs want sommige theologen waren de gedachte toegedaan dat de dieren oorspronkelijk konden spreken maar dat dat met de zondeval verloren was gegaan. Er ging een fameus verhaal rond over de papegaai van de Engelse koning Hendrik VIII die in de Theems viel en uitriep: ’A boat! A boat! Twenty pounds for a boat!’ Toen een schipper hem uit het water opviste en naar de koning bracht, in de hoop op een beloning, veranderde de papegaai van gedachten en riep: ’Geef die vent een schop!’

Nederlanders kennen het verhaal van de Zilvervloot die door Piet Hein en zijn bemanning in de buurt van Cuba werd buitgemaakt (in 1624), waarna ze een week bezig waren met het inventariseren van de buit en de papegaai van de Spaanse commandant voortdurend riep (in het Spaans): ’Oh, wat gaat het goed’ – want dat had het beest zo geleerd als er geld werd geteld.

Nu we toch in Caribische contreien verzeild zijn geraakt, is er ook nog een verhaal, daar uit de buurt, over een praatje dat onze prins Maurits van Brazilië had met een lokale papegaai. Die papegaai vertelde dat hij voor zijn baas op de kippen paste. De prins lachte er een beetje ongelovig bij maar de papegaai wist waar hij het over had: hij sprak de kippen toe in hun eigen taal door ze te roepen met ’tok, tok’.

Dat zullen wel Hollandse kippen zijn geweest. In het zeventiende- eeuwse Engeland riep men kippen niet met ’tok, tok’, maar met ’Yuly, yuly!’ en ook wel met ’Coom biddy’, een verbastering van ’come, I bid thee’: ’kom, vraag ik je’. Varkens werden in het noorden van Engeland geroepen met ’sic, sic, sic’, in Hampshire met ’chuck, chuck’, in Norfolk met ’sug, sug’, en in Devon met ’sook, sook’. Daar zit geen woord Frans bij, kennelijk wel wat plaatselijk dialect.

Ook werk- en lastdieren werden in de hun bekende taal toegesproken. Om een paard linksom of rechtsom te laten keren, gebruikte men destijds in Engeland woorden zoals ’Gee’ en ’Ree’. Toch een ander taaltje dan waarin men vroeger de zware Zeeuwse knollen linksom of rechtsom dirigeerde, namelijk met ’uto’ en ’aarom’.

Al die mensen die in al die verschillende talen en plaatselijke dialecten met de dieren spraken, of liever: ze toespraken, zullen daarbij natuurlijk niet hebben gedacht dat dieren een of andere vorm van verstand hadden omdat die hen konden verstaan. Maar door hun dagelijkse omgang met allerlei beesten in het boerenbedrijf, stonden deze mensen wel dichter bij de dieren dan filosofen die praktisch en theoretisch hun afstand bewaarden.

En het was niet alleen Descartes die scherpe grenzen trok. Ruim anderhalve eeuw later deed Immanuel Kant (1724-1804) dat nog steeds in een strenge systematiek die geen grensverkeer toestond. Voor Kant is de mens als redelijk wezen een doel waarop ons handelen zich moet richten, waarmee men rekening moet houden, anders dan dieren ’die nur als Mittel da sind’. Mensen hebben een eigen innerlijke waarde; dieren ontlenen hun waarde slechts aan wat zij voor ons kunnen betekenen.

Aan het begin van zijn ’Anthropologie’ uit 1798 zet Kant redeloze dieren en dingen op één lijn: men kan ermee doen en laten wat men belieft. In zijn ’Püdagogik’ uit 1803 stelt hij dan ook dat enkel de mens iets kan leren en wordt opgevoed. Aan dieren is dat niet besteed, alhoewel hij daar even ingaat op een uitzondering: kanaries die hun kroost leren zingen.

Toch groeiden mens en dier in de achttiende eeuw verder naar elkaar toe. Vanzelfsprekend leenden apen zich voor nadere beschouwingen. In Oost-Indië werd wel gedacht dat apen zich van de domme hielden en zich geen woord lieten ontvallen, om te voorkomen dat ze door blanken aan het werk werden gezet.

Lord Monboddo (1714-1799), een beetje excentrieke Schot die een uitvoerige taalstudie schreef, dacht dat orang-oetans geen dieren waren maar een mensenras dat nog niet had geleerd om te praten. Dat zit trouwens ook wel in de naam van orang-oetan: orang is het Maleis voor mens en oetan betekent bos of oerwoud, dus tel maar op.

Om toch wat afstand te bewaren, werden er wat pratende ’tussensoorten’ tussen mens en aap geschoven: pygmeeën en troglodieten, en ook bewoners van andere perifere streken. Zo nam de Franse filosoof Maupertuis enkele Lapse meisjes mee om ze in Parijs ten toon te stellen.

Voor nogal wat tijdgenoten zullen sommige Aziatische volkeren ook niet veel verder zijn gekomen dan vogelgeluiden. Misschien zoiets als ’tjielp, tjielp’. Dat neemt niet weg dat naarmate een goed gesprek mogelijk werd met lagere soorten dan de blanke Europeaan, diens primaat ondermijnd werd en primaten meer van zich lieten horen. Primatologie is ondertussen een complete studie geworden. En die mussen? Wie weet, misschien zullen we ooit weten wat mussen tegen elkaar zeggen: „Ik tjielp, dus ik ben.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />