De Europese paling is bijna uitgestorven. Het zebravisje van een Leids bedrijf moet het tij keren en van Volendam weer palingdorp maken.
De larve op het filmpje verloochent zijn afkomst niet. Lang en dun: een paling in wording. „Zie je het hartje kloppen?”, zegt de Leidse celbioloog en hoogleraar Herman Spaink enthousiast terwijl hij naar het computerscherm wijst.
Zijn enthousiasme is begrijpelijk. Het bedrijfje ZF-screens dat hij oprichtte met zijn Leidse collega Guido van den Thillart houdt zich al twee jaar bezig met de paling en heeft een experimentele techniek ontwikkeld om paling in gevangenschap te laten voortplanten, om zelf larven te kweken. ZF-screens krijgt daarom een laboratorium in Volendam, in pand Haven 154-156.
De meeste vissoorten voelen er niks voor om zich in gevangenschap voort te planten. De paling al helemaal niet. Alleen Japanse wetenschappers lijken er af en toe in te slagen. „Maar dat is de Aziatische aal. Wij richten ons natuurlijk op onze soort, de Europese paling”, zegt Van den Thillart. Deze vis is sinds de jaren vijftig door diverse factoren – hermetische kustweringen die palingtrek onmogelijk maakt, dioxinevergiftiging, maar ook visserij – aan het uitsterven.
Vooral de laatste jaren gaat het hard bergafwaarts. Zonder tegenmaatregelen is het binnen een paar jaar helemaal gedaan met de paling, voorspellen biologen. Ook met de palingkweek. Die gebruikt immers in het wild gevangen glasaaltjes. Tenzij het natuurlijk lukt larven te kweken, zoals in Leiden wordt geprobeerd.
De Leidse ’oplossing’ voor de paling is eigenlijk de zebravis, ook bekend uit het huis-tuin-en-keuken-aquarium, denkt ZF-screens. Bij Spaink en Van den Thillart zwemmen er duizenden rond. Spaink: „Dat zebravisje is een van de weinige vissen die in gevangenschap geen enkele moeite hebben zich voort te planten. Iedere dag honderdvijftig eitjes. De gestreepte variant is bovendien, ook uniek, genetisch geheel in kaart gebracht.”
Spaink en Van den Thillart ontwikkelden een techniek om iets van de overvloedige voortplantingsdrift van het zebravisje over te brengen op de paling: een stamceltherapie voor de paling. Die krijgt daarbij eenmalig cellen ingespoten afkomstig van het zebravisje. Deze cellen moeten eerder in het laboratorium zijn bewerkt en geselecteerd op het vermogen geslachtshormonen te ontwikkelen. „Het is nog in experimenteel stadium: we zijn nu de implantaten aan het optimaliseren”, zegt Van den Thillart. „Hoe krijg je zo’n cel zover dat die de gewenste hoeveelheid hormonen afgeeft? Hoeveel hormonen zijn sowieso nodig? Daar gaat veel tijd in zitten, net als in het testen.” Maar als deze methode werkt, is de beloning royaal: één paling is goed voor een miljoen larven.
De palingen kregen bovendien in de catacomben van het Leidse Gorleuslaboratorium een ritje op de hometrainer: een dikke perspex buis, een paar meter lang, die aan één uiteinde is voorzien van een motortje dat het water voortstuwt.
De vis kan daarin maandenlang continu zwemmen. Een trucje waarmee de natuur wordt nagebootst, zegt Van den Thillart, die zich als bioloog al tien jaar bezighoudt met deze vis. „Palingen trekken in natuurlijke omstandigheden zo’n zesduizend kilometer naar hun paaigebied, de Sargasso-zee bij Bermuda. Tijdens die tocht wordt hun geslachtsrijpheid geprikkeld: in dat paaigebied moet het uiteindelijk gebeuren.” In Volendam komen dus diverse palinghometrainers.
Aan de ’Leidse aanpak’ kleven weinig nadelen, claimen de onderzoekers: het is eenvoudig, goedkoop en veilig. Zeker in vergelijking met de tot nu toe bekende, ’Japanse methode’, zeggen zij. Daarbij wordt de paling ingespoten met hormonen, gewonnen uit de hersenen van andere vissen. „De effecten hiervan zijn moeilijk voorspelbaar en kortdurend. Je moet zo’n vis dus regelmatig hormonen inspuiten”, vat Spaink samen. „Zuivere hormonen zijn bovendien peperduur en de vis raakt er gestresst van.” Ook kleeft aan het gebruik van uit hersenen gewonnen hormonen risico’s voor de volksgezondheid.
Blijft de vraag: als het lukt palinglarven te kweken, hoe laat je die dan groeien tot glasaal? Van den Thillart. „Dat is de volgende vraag waar we voor staan: wat voeren we de larve? Uit de literatuur is hierover eigenlijk weinig bekend. Nu gaan ze na zeven dagen dood, als hun vetvoorraad op is.” Samen met het Oceaneum van dierentuin Blijdorp in Rotterdam wordt daarom larvenvoedsel ontwikkeld. „Binnen een jaar of twee moet dat lukken.”
Het onderzoeksduo verwacht veel van de stamceltechniek. De cellen blijken bij lagere temperaturen ook te overleven, wat ze ook bruikbaar maakt bij de reproductie van bijvoorbeeld zalm of mogelijk zelfs tonijn. „Het zou natuurlijk fantastisch zijn om de blauwvintonijn te kunnen redden”, zegt Spaink.
Bovendien zit wereldwijd de viskweek stevig in de lift en rond 2050 zijn de zeeën goeddeels leeggevist, voorspellen deskundigen. Een goudmijntje dus? Spaink: „We doen dit niet om er rijk van te worden. Het is vooral wetenschappelijke interesse en idealisme wat ons drijft. Subsidies van het ministerie van LNV, SenterNovem en de STW hebben dit onderzoek tot nu toe mogelijk gemaakt. Maar bij commerciële toepassing van de patenten zal een deel van de opbrengst voor de Leidse Universiteiten zijn, die de faciliteiten verschaft. Hier zijn we ook ons onderzoek begonnen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.