Een complete overschakeling op duurzame energievoorziening is haalbaar – mits de overheid het heft in handen neemt en ondernemers samenwerken.
De gehele Nederlandse energiehuishouding kan binnen één generatie duurzaam zijn. De overheid moet dan wel een leidende rol spelen. Ondernemers moeten zich concentreren op een gezamenlijke lobby in plaats van op de concurrentie.
Dat stelt Roald Suurs op basis van zijn proefschrift ’Motoren van Duurzame Innovatie’. De afgelopen vijf jaar onderzocht hij voor de Universiteit Utrecht de processen die vooraf gaan aan het invoeren van nieuwe duurzame technieken. Vier drijvende krachten komen daaruit naar voren. „Die kunnen helpen om nieuwe duurzame energietechnologieën sneller van de grond te krijgen.”
Innovaties beginnen met wetenschappelijk onderzoek, de eerste innovatiemotor. „Voor een beginstudie is het vaak lastig om de financiering rond te krijgen. Veelbelovende resultaten van eerder onderzoek vergroten de investeringsbereidheid van bedrijven en overheid”, stelt Suurs. Daardoor is vervolgonderzoek gemakkelijker te realiseren.
Levert het onderzoek concrete resultaten op, dan zijn de ondernemers aan zet, de tweede innovatiemotor. „Zij zien kansen en beginnen een experiment.” Omdat de techniek nog niet marktrijp is, gebeurt dat op kleine schaal en vaak met subsidie van de overheid. Als voorbeeld noemt Suurs het beginstadium van de biobrandstof. „Boeren schakelden over op het verbouwen van koolzaad. Daaruit wordt biobrandstof gemaakt. Zonder overheidsubsidies was dit niet rendabel geweest.”
De volgende stap is het ontwikkelen van infrastructuren, regelgeving en financiering. „Zo creëer je een systeemmotor die het mogelijk maakt de nieuwe technieken op grote schaal in de maatschappij in te passen.” De afwezigheid van de systeemmotor werkt belemmerend, bleek bij de ingebruikname van het Prinses Amaliawindpark. Zeven jaar was nodig om door de bureaucratie heen te worstelen. En nog steeds steggelen overheid en ondernemers over wie moet betalen voor de benodigde infrastructuur. „Die regelgeving moet vanuit de overheid komen. Maar als ondernemers de krachten bundelen, ontstaat een lobby waarmee een wettelijk kader kan worden afgedwongen.”
Goed voorbeeld is de sterke lobby voor aardgas. In korte tijd zorgde die voor lage accijnzen waardoor de brandstof ineens een stuk interessanter werd voor ondernemers.
Concurreren vertraagt die lobby en daarmee de invoering van innovaties, blijkt uit het onderzoek. „Neem de biodiesel. In plaats van gezamenlijke belangen te zoeken, woedde er een concurrentiestrijd tussen bedrijven die inzetten op de eerste en tweede generatie biobrandstoffen.”
Ook de overheid werkte niet mee. Er werd niet gekozen of, en zo ja welke van de biobrandstoffen gesteund zou worden. „De combinatie van dat zwalkende beleid en de concurrentiestrijd belemmerden de implementatie van biobrandstoffen.” Uiteindelijk stelde de EU wetten op voor bijmenging. Zo ontstond toch een markt voor biobrandstoffen.
Pas als de eerste drie stappen achter de rug zijn, kan gewerkt worden aan de positie op de markt: de laatste en ’ultieme’ innovatiemotor. „De overheid is belangrijk bij het creëren van die positie. Maar op dit moment schept ze niet de juist voorwaarden.” De aardgasregeling illustreert het probleem. „De lage accijnzen liggen voor korte tijd vast. Van het ene op het andere jaar kan de brandstof daardoor niet meer rendabel zijn.”
Een leidende overheid met een heldere lange termijnvisie acht hij daarom noodzakelijk. „Leg die tarieven nu voor een jaar of tien vast. In het buitenland zien we hoe dat voor een explosieve groei van duurzame energieopwekking kan zorgen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.