*

 

Het kamp als bron van energie

Esther Hageman − 06/04/09, 00:00

De KVP-voorzitter die van het CDA een ’open’ partij wilde maken, bracht in zijn jeugd ruim twee jaar door in het kamp. Dat wist niemand.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

Van het geld dat hij na de oorlog kreeg als voormalig kampslachtoffer kocht hij een vleugel. Hij speelde graag en goed, maar die aanschaf moet ook betekend hebben dat hij de zwartst denkbare ervaring snel wilde omzetten in iets moois.

Die tijd in het kamp, daar sprak hij eigenlijk nooit over. Meteen al niet. Toen hij in juli 1945 weer terug was in Wageningen en z’n moeder vroeg hoe hij het had gehad, zei hij dat hij het er niet over wilde hebben.

Vóór 1943, toen Dick de Zeeuw op weg was naar Engeland maar bij de Frans/Zwitserse grens tegen een Duitse grenspatrouille opliep, was hij een open jongen. Na de bevrijding zat er een slot op zijn emoties. En niet alleen op de zijne. Als de club van negen vrienden die kamp Dora hadden overleefd in later jaren bijeen was, hadden ze het heel gezellig – maar met geen woord spraken ze over het kamp.

Dick de Zeeuw was de jongste helft van een identieke tweeling die in Nederlands Indië was geboren – vader werkte op het kantoor van de Bataafse Petroleum Maatschappij - maar er niet opgroeide: hun moeder kon slecht tegen het Indische klimaat. Nog voor de tweeling aan z¿n derde verjaardag toe was, keerde het gezin terug in Den Haag, waar Simon Vestdijk op de Daal en Bergselaan hun buurman was. Als de kinderen een kapotte knie hadden dan plakte dokter Vestdijk er een pleister op.

Dick de Zeeuw was een kwartier jonger dan zijn broer Aart, maar niet de archetypische stille jongste. Ze waren thuis hervormd, tegen het vrijzinnige aan. Hun vader was diaken, maar ging vaak naar de katholieke kerk omdat de sfeer hem daar beviel. De zoons gingen naar de christelijke hbs op de Populierstraat, waar ze in 1941 eindexamen deden – dat de leraren expres een beetje milder beoordeelden omdat het oorlog was. Daarna gingen ze allebei Landbouwwetenschappen studeren in Wageningen. Vader was intussen overleden en moeder verhuisde met de jongens mee.

Maar toen Joodse studenten eind 1942 van de universiteiten weg moesten, stopten ook de jongens De Zeeuw met hun studie. Voor echt gevaarlijk verzetswerk werd Dick te jong bevonden, zodat hij als achttienjarige op weg ging naar Engeland, een briefje van het verzet op zak waar in stond hoeveel Duitsers er langs de Nederlandse kust zaten. Aart zou later volgen.

Dick de Zeeuw kon het briefje nog net opeten toen hij begin 1943 werd opgepakt. Na drie Franse gevangenissen kwam hij in Buchenwald terecht, het kamp bij Weimar. Bij de inschrijving – als nummer 22973 – vroeg de gevangene achter het tafeltje, een Leidse hoogleraar, hem: ’Wil je overleven?’ Natuurlijk, zei Dick de Zeeuw. ’Niet opvallen! In godsnaam niet stoer doen!’, zei de man. Na drie gevangenissen en treintochten in veewagons voelde Dick de Zeeuw wel aan dat dat een goed advies was. „Zwijgen, jezelf in de hand houden, niet laten merken wat je voelde, niemand vertrouwen, dat waren hier deugden die letterlijk van levensbelang waren. Vanaf dat moment leefde ik ongelofelijk eenzaam,” schreef hij decennia later.

Maar aan de wetenschapper en de politicus die hij na 1945 eerst zou worden voor hij, pas in 2007, in een boek beschreef wat twee jaar kamp met hem had gedaan, was dat niet te merken. Hij studeerde af, trouwde met Puck, kreeg een zoon en een dochter, promoveerde in 1954 (op een stel daglicht-proeven met bonen en tomaten) en werd in 1958 directeur van ITAL, het nieuwe Wageningse instituut, met eigen reactor, dat atoomenergie in de landbouw toepaste. Nucleaire bestraling kon daar, was de gedachte, allerlei zegeningen brengen: chrysanten in nog meer kleuren, langer houdbare eetbare gewassen. ,,We hebben een aardappelwerkgroep, we zijn bezig met een gesneden groente-werkgroep, we gaan waarschijnlijk beginnen met een uienwerkgroep’’, zei De Zeeuw optimistisch. Later zou overigens blijken dat röntgenstraling voor dat doel even effectief was en werd de reactor gesloopt.

Vroeg in de jaren vijftig werd hij katholiek. Het zwaardere accent op eigen verantwoordelijkheid van het katholicisme sprak hem meer aan dan het eenrichtingsverkeer van het protestantisme, waar God alles moet oplossen. Bovendien vond hij de biecht een mooi verschijnsel: je eigen fout herkennen en met een schone lei beginnen, Sindsdien was hij ook actief in de KVP, de katholieke volkspartij. Daarin maakte hij gestaag carrière. Hij zat jaren in de gemeente- en provinciale politiek, werd in 1970 lid van de Eerste Kamer en haalde vanaf 1971 bijna dagelijks de krant toen hij partijvoorzitter werd.

De jaren zeventig waren het decennium dat KVP, ARP en CHU wikten over de vraag of ze niet samen verder moesten gaan (het CDA zou uiteindelijk in 1980 realiteit worden) - en zo ja, hoe. Moest dat een christelijke partij zijn, of waren ook anderen welkom? En hoe links of rechts moest die partij dan zijn? De Zeeuw had daar uitgesproken ideeën over. Het CDA, vond hij, moest ’open’ zijn. Je hoefde van hem niet per se christelijk te zijn om er bij te kunnen. En qua koers wilde De Zeeuw samenwerken met links.

Met dat standpunt was De Zeeuw jaren te vroeg en in de annalen van KVP-historicus Bornewasser gingen zijn lotgevallen ’de affaire-De Zeeuw’ heten. Bij de AR zagen ze niets in een partij zonder bijbel; het begrip ’christen-democratisch’ was ze al te weinig evangelisch. De traditionele KVP’ers, beducht dat de AR uit het fusieplan zou stappen, bogen met de AR mee. Dus werd De Zeeuw geloosd. Eind maart 1975 zeiden 26 van de 35 partijbestuurders ’nee’ op de vraag: „Is het verantwoord dat de KVP zich binnen het CDA omvormt tot een christen-democratische partij?” De Zeeuw zelf vond de vraagstelling verkeerd, onthield zich van stemming - en trad af.

Hij heeft in 1976 nog even geprobeerd een eigen partij op te richten, ’Resoluut’, die probeerde samen te werken met D66. Voor allebei was de PvdA te dogmatisch, de PPR te radicaal en het CDA te godsdienstig. Maar het werd niks. De Zeeuw verliet de politiek, werd een niet-actief PvdA-lid, hij werd weer landbouw- en voedselman en keerde terug naar Wageningen. In de jaren dat hij collegevoorzitter was van de landbouw-universiteit maakte hij de tweede grote bezuinigingsoperatie (¿SKG¿) op de universiteiten mee en schuwde zaaldiscussies over de kaalslag niet.

Daarnaast was hij bijzonder hoogleraar in Nijmegen. Toen hij daar, nu bijna twintig jaar geleden, afscheid nam sprak hij de hoop uit dat de honger in de wereld over twintig jaar zou zijn uitgebannen. Dat kon, „wanneer we veel extra middelen gericht (zijn cursivering, red.) inzetten. Is het reëel te veronderstellen dat deze extra middelen er kunnen komen? Ik denk van wel. De huidige ontspanning tussen Oost en West zal leiden tot vermindering van militaire uitgaven. Deze vrijkomende middelen dienen te worden ingezet voor de bestrijding van de armoede en honger.”

Jarenlang wist vrijwel niemand van zijn oorlogsverleden. Hij begon er pas in 1982 over te praten, toen hij met zijn tweede echtgenote Atie ’Sophie’s Choice’ zag. Voor het eerst sinds zijn kampjaren huilde Dick de Zeeuw. Het filmverhaal (SS’er dwingt de hoofdpersoon tot de keus of haar zoontje, of haar dochter mag blijven leven), herinnerde hem aan de onmogelijke keuzes die hij als verpleger in de ziekenboeg van concentratiekamp Dora had moeten maken. Wie erg ziek was, moest op transport en zou worden vergast, wie niet erg ziek was moest aan het werk in de natte mijngangen. Daar liet Nazi-Duitsland z’n gevangenen destijds de V2-raketten in elkaar zetten. Slechts een op de drie overleefde er. Aan Dick de Zeeuw, nog geen twintig, de keus.

Hij schreef er samen met Petra Pronk in 2007 een boek over: ’Schrijven op marmer’. Een ’gewoon’ oorlogservaringen-boek werd het niet. Het ging meer over de vraag hoe je ze overleeft, en hoe je nadien verder gaat. Waar de Italiaanse schrijver Primo Levi gebroken uit het kamp was gekomen, daar was het kamp voor Dick de Zeeuw een onuitputtelijke bron van energie geworden om de samenleving zo in te richten dat mensen worden uitgenodigd om het goede te doen. Er bestaan wel slechte mensen, vond hij – maar er bestaan vooral slechte systemen die goede mensen brengen tot kwade daden.

Eind vorig jaar schaafde hij nog altijd aan een betere wereld toen hij, voor de Wereldbank op reis in Laos, een hartaanval kreeg. Hij werd overgebracht naar Bangkok – Laos heeft nauwelijks medische voorzieningen – en lag er weken in het ziekenhuis. Zijn tweede vrouw, Atie, was de hele tijd aan zijn zijde. Een ziekenhuisbacterie werd hem fataal.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />