*

 

Kabinet van CDA en PVV is geen hersenschim meer

Hans Goslinga − 04/04/09, 00:00

opinie Vraag: is het mogelijk dat er in 2011 of zelfs eerder een kabinet-Eurlings/Wilders aantreedt? Antwoord: in de Nederlandse politiek is veel mogelijk.

Twee weken terug schreef ik dat samenwerking met de PVV voor het CDA niet één maar, naar moest worden gehoopt, drie bruggen te ver zou zijn. Voor het slagje om de arm waren twee redenen. De eerste was dat de christen-democraten bereid zijn ver te gaan om regeren met de PvdA te vermijden. Nog altijd geldt het adagium van de katholieke politicus Nolens uit 1925 dat ’alleen bij uiterste noodzaak’ samenwerking met de socialisten valt te overwegen.

De tweede reden volgde uit de eerste. Valt het de christen-democraten al niet mee met de PvdA te regeren, nog moeilijker wordt het als zij met huid en haar aan deze partij zijn overgeleverd. Die situatie doet zich voor indien op de rechtervleugel een alternatief ontbreekt. Voor een partij die de spilpositie in het krachtenveld wil bestendigen is het noodzakelijk dat zij over rechts en links kan samenwerken. Nu de VVD een weinig stabiele indruk maakt en volgens de peilingen terrein verliest, vereist de strategie van de partij in het midden naar het alternatief te kijken, de PVV. Niets voor niets zei CDA-voorzitter Van Heeswijk onlangs dat zijn partij straks geen coalitie uitsluit.

Er is nog een derde reden. Die is dat een deel van de achterban van het CDA gevoelig is voor het anti-islamverhaal van Wilders. De top van de christen-democraten onderkent dat en houdt zich uit vrees die kiezers kwijt te raken in het integratiedebat zoveel mogelijk op te vlakte. De oproep van oud-premier Lubbers aan zijn partijgenoot Balkenende in 2005 in deze nieuwe sociale kwestie een leidende en richtinggevende rol te spelen, bleef daarom onbeantwoord. De prijs was dat Balkenende de gegijzelde werd van Rita Verdonk en haar harde lijn, zelfs nog toen zijn derde kabinet in demissionaire toestand verkeerde en hij moest gedogen dat IJzeren Rita, spottend met het staatsrecht, een aparte positie innam.

Daarin openbaart zich misschien wel het beslissende verschil tussen het CDA onder Lubbers in de jaren tachtig en het CDA van Balkenende in deze tijd. Lubbers beheerste het spel vanuit het midden als geen ander, maar hij had ook een duidelijke inzet, de sanering van de overheidsfinanciën om de uitgedijde verzorgingsstaat terug te dringen. Zo’n geprofileerde politiek-inhoudelijke inzet, die het mogelijk maakt zowel over rechts als over links te regeren, ontbreekt thans in de strategie van de christen-democraten.

Het CDA wil zich in deze woelige tijden vooral profileren als betrouwbare en degelijke bestuurspartij. In het opstandige jaar 2002 bleek dat de christen-democraten in dit opzicht nog over verrassend veel krediet onder de kiezers beschikten; onbegrijpelijk is de keuze dus niet. Zij verklaart waarom fractieleider Van Geel nog méér weg heeft van een gemeentesecretaris dan van een wethouder. In die functie is het, zoals hijzelf uit eigen ervaring eens zei, ’een kwestie van veel bukken en af en toe wat vangen’.

De keerzijde is dat de partij zich nu, net als de PvdA, laat gijzelen in de angstpolitiek van Wilders en bij elk incident dat de PVV-leider veroorzaakt om een weerwoord verlegen zit. Voor zover de boodschap van deze politicus steeds meer steun krijgt, is dat mede een gevolg van dat gebrek aan weerwerk. Daardoor kan hij steeds een stapje verder gaan en aan salonfühigkeit winnen. De sterkte van een politieke positie, leert de geschiedenis, wordt niet alleen bepaald door de eigen kracht, maar ook en misschien nog wel meer door de zwakte van de tegenstanders.

Het is voor de gevestigde partijen goed dat in de gaten te houden, nu Wilders zich strategisch in de fase bevindt dat louter vergroting van zijn aanhang telt. Pim Fortuyn bleek na zijn grote overwinning in Rotterdam in 2002 meteen bereid tot coalitievorming en daarmee tot het sluiten van compromissen. Zijn LPF volgde die lijn later ook op landelijk niveau. Het is mogelijk dat Wilders, verovert hij een sterke positie in 2011, ook in staat is die draai te maken. Vooralsnog is dat voor hem niet aan de orde en schuwt hij geen middel om zijn doel de grootste partij te worden te bereiken.

Elke keer dat zijn tegenstanders veronderstellen dat hij de overtreffende trap heeft bereikt, verrast hij hen weer. Dat is waarschijnlijk niet de enige vergissing. Een andere is dat de PVV als een one-issuepartij wordt gezien. De strijd tegen ’de islamisering’ is weliswaar een speerpunt in zijn politiek, maar door het beweeglijke karakter van zijn falanx kan hij op elke gemoedsstemming van de natie inspelen. Daarbij moet het effect van de uitzonderlijk sterke retoriek van Wilders niet worden onderschat. Hij verstaat de kunst mensen te overtuigen en te verleiden.

De coalitie kan daar met de uitkomsten van haar typische polderpolitiek, hoe goed ook voor de nationale economie, nauwelijks tegen op. Die politiek speelt zich af in de binnenkamer, heeft het karakter van voortmodderen en brengt daardoor dikwijls halfbakken producten voort. Bovendien zet zij de oppositie, die niet nodig wordt geacht voor het draagvlak, buitenspel en is zij allesbehalve mediageniek. Doordat de verantwoordelijkheid ook nog eens diffuus is, ontbreekt het aan overtuigingskracht om de resultaten te verdedigen en aan politieke strijdlust om voor de angstpolitiek van Wilders een alternatief te tonen.

De bestuurlijke rust die het CDA wil uitstralen, gaat dus gepaard met een politieke vlakheid, die de weg baant voor de virulente PVV. Diezelfde PVV kan voor de christen-democraten straks dus het alternatief op rechts worden en het perspectief openen op een kabinet Eurlings/Wilders. Dat is geen hersenschim. Een deel van de CDA-fractie zou met zo’n kabinet helemaal geen problemen hebben.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />