*

 

Samenwerking in landschapsbeleid verloopt moeizaam

Van onze correspondent − 10/03/09, 00:00

De overheid verlangt meer inzet van burgers voor het landschap. Maar die moeten dan wel capabel zijn en veel tijd hebben.

Samenwerken tussen overheid en burgers gaat niet van een leien dakje, concludeert onderzoekster Greet Overbeek van de Wageningen Universiteit. „Gemeenten moeten meer doen om goed met burgers samen te werken. Ze zijn daar niet altijd op ingesteld.”

De landelijke overheid wil dat gemeenten en hun inwoners meer verantwoordelijkheid nemen voor de kwaliteit van hun landschap. ’Het wordt mooier als u meedoet!’, zo heet een hoofdstuk van de Agenda Landschap, die de ministers Verburg (landbouw, natuur) en Cramer (milieu) in november presenteerden.

„Als iedereen dat met de mond belijdt, dan moet je daar als overheid beter op inspelen”, zegt Overbeek, die werkt voor het cluster Vitaal Landelijk Gebied van het LEI (Landbouw-Economisch Instituut). Ze bekeek vijf voorbeelden van local ownership, waarin burgers aan de slag gaan of met de gemeente hun omgeving proberen aan te passen. Zoals het Achterhoekse dorp Gelselaar, waar de bewonersvereniging in actie kwam om de aanwijzing tot beschermd dorpsgezicht te beïnvloeden.

„Het is meestal meer meedoen dan samen doen”, constateert Overbeek. „Je mag van burgers ook niet verwachten dat ze de hele planvorming doorlopen; dat vraagt veel kennis en tijd.” Dat is vooral een handicap voor een bewonersgroep die helemaal buiten de gemeente om werkt, zoals de Naobers van Zudert, die in Dwarsgracht bij Giethoorn zelf natuuronderhoud verrichten. „Als zij subsidie aanvragen, missen ze expertise.”

Organisaties van inwoners die succesvol meepraten, bestaan bijna altijd uit mensen die op het stadhuis de weg weten, aldus Overbeek. „Bijvoorbeeld ex-raadsleden. Mensen moeten capabel zijn, ze moeten de gemeente kennen en ze moeten tijd hebben. Dus zie je veel vutters, maar dat is een uitstervend ras. Voorzitters van dorpsraden moeten vooral communicatief vaardig zijn.”

Overbeek onderzocht ook de bereidheid van burgers en bedrijven om te investeren in het landschap in vier proefprojecten die minister Verburg vorig jaar heeft aangewezen: Amstelland, Het Groene Woud in Brabant, de Ooijpolder bij Nijmegen en het Binnenveld tussen Wageningen, Ede, Rhenen en Veenendaal. „Bedrijven blijken minder positief over de toegevoegde waarde van het landschap dan burgers. ”

mailIcon print |