*

 

O, wat ben ik slecht!

Ibrahim Selman − 24/01/09, 00:00

In het weekend voor de plechtige inauguratie van Barack Obama, belandde Ibrahim Selman met griep op bed. Koortsig keek hij naar de beelden op televisie. Hij kon zijn ogen niet geloven.

Het voordeel van griep is dat je tijd hebt om na te denken. Vooral als je dankzij een pijnstiller de koorts op enige afstand weet te houden. Het is heerlijk om even niets te doen. Als je alleen bent hoef je ook geen energie te besteden aan een gesprek, discussie of ruzie. Eigenlijk zou het ideaal zijn om af en toe een griepweek in te plannen. Helaas komt hij altijd op onverwachte, en meestal ongewilde momenten.

Mijn griep begon op de avond van het allerlaatste weekend dat George W. Bush president was van de Verenigde Staten – het weekend dat hij zijn spullen moest opruimen om daarna te verdwijnen in de relatieve anonimiteit. Hij zou spullen tegenkomen die hij was kwijtgeraakt. Hij zou er niets meer aan hebben. Acht jaar van zijn leven zou hij vinden onder het stof.

Ik dacht veel aan Bush. Elk staatshoofd moet zich gedragen naar protocollen en regels. Aan Bush’ gezicht was altijd af te lezen dat hij eigenlijk een komiek is. Dat hij liever moppen tapte dan brainstormde over staatszaken. Vóór de aanslagen van 11 september 2001 zou hij naar verluidt niet hebben geweten waar Afghanistan lag, het land waartegen hij later oorlog zou voeren.

Als je het mij vraagt, had George W. Bush simpelweg geen neus voor politiek. Zijn neus is smal, lijkt meer op een vogelsnavel dan op een mensenneus. Als je goed naar hem kijkt, dan zie je een grappig en bijna gelukkig gezicht, ook als hij ernstig moet zijn. Het gezicht van een kind dat liever niet volwassen wil worden.

Waar hangt het lot van een land eigenlijk vanaf? Dat ligt eraan.

Het lot van een democratisch land hangt af van het systeem. Zie de Verenigde Staten. Amerikaanse presidenten kunnen, als ze fouten maken, tot de orde worden geroepen (Bill Clinton). Ze kunnen zelfs worden afgezet (Richard Nixon).

Het lot van een dictatoriaal land daarentegen hangt af van één persoon. Of hooguit van een kliek, een groepje, een familie. Zie bijna de gehele Arabische wereld. In de Arabische prinsdommen, koninkrijken en republieken blijven de heersers meestal zitten van vader op zoon – tenzij een militaire coup ze verdrijft.

In zulke landen staat alles in de dienst van de despoot. Wie kritiek op hem levert, is zijn leven niet zeker. Laat staan dat je naar de rechter kunt stappen en hem voor het gerecht kunt slepen. De media in zo’n land maken van de machthebber een mythe, een onbetwiste godheid. Kunstenaars, dichters, filmers en theatermakers stellen hun werk in dienst van de grote leider.

Toen ik in dit allerlaatste weekend van George W. Bush koortsig naar de televisie keek, geloofde ik mijn ogen niet. Overal zag ik zijn opvolger afgebeeld: als pop, op affiches, T-shirts, bekers, schoenen, noem maar op. Even dacht ik dat ik weer in Irak was.

Mijn koorts werd heftiger. Mijn hallucinaties voerden me terug naar begin jaren zeventig.

In Irak kwam een lange, charismatische man aan de macht. Niet door verkiezingen, natuurlijk. Hij kwam aan de macht door bloedvergieten, veel bloedvergieten. Dat was in Irak niets bijzonders. Zo was de cultuur. Er was dus geen enkele reden om hem niet toe te juichen.

De lange man werd steeds populairder. Hij sprak rustig en langdurig en de mensen luisterden naar hem. Urenlang werden zijn toespraken op televisie uitgezonden en herhaald. Het volk begon te geloven dat hij de echte Allah was. En dat de Allah die mensen tot dan toe aanbaden was verbannen. Je kon in die tijd in het openbaar ’Gara bi Allah’ (’Poep op Allah’) zeggen of Hem tot pooier uitroepen zonder dat je gestraft werd. Integendeel. Als je na een scheldkanonnade Saddam Hoessein prees, kreeg je een hoge positie in de partij aangeboden.

Filosofen, sociologen, politicologen en psychiaters analyseerden de speeches van Saddam. Zij interpreteerden zijn woorden als iets bovennatuurlijks, bijna goddelijks.

En Europese universiteiten schonken hem in die tijd eredoctoraten.

O, wat ben ik slecht! De beelden uit mijn verre verleden overvielen me op een zwak moment. Ze overvielen me op het moment dat ik eigenlijk wilde juichen voor de eerste Afro-Amerikaan die president wordt, die prachtig kan speechen, die de rust zelve is, die goed ademhaalt.

Ja, misschien ligt het aan de neus van Obama. Zijn neus lijkt mij de beste neus van de wereld. Obama heeft een neus voor alles.

De neus is de bron van rust en vrede. Als je geen goede neus hebt die kalmpjes lucht naar je longen brengt, dan word je ongeduldig, onrustig en misschien zelfs agressief.

Saddam had ook een goede neus. Hij had een neus voor vrienden en vijanden. Maar uiteindelijk liet die hem in de steek.

Ik heb geen neus voor politiek. Aan mijn neus markeert van alles. Niet alleen als ik griep heb kan ik niet goed ademhalen, ik heb er altijd moeite mee. Ik kan alleen door het linker- of door het rechterneusgat ademen, en nooit door allebei.

Ik dacht dat mijn neus in Nederland geopend kon worden. Daarvoor lag ik in 1983 dagen in het Amsterdamse AMC. Na het verwijderen van het verband hoopte ik dat mijn neus er prachtig uit zou zien, zeg maar zoals die van Obama nu. Maar mijn neus was opgezwollen. Een totale mislukking. En het tussenschot was zodanig verplaatst dat ik helemaal geen lucht meer kon krijgen. Met een boormachine (echt) boorde de chirurg een gat in het tussenschot. Ik mocht nooit meer mijn neus snuiten, ik moest snot inslikken en via mijn mond uitspugen. Dat bleek een onmogelijke opdracht.

Een tijdlang was ik geobsedeerd door neuzen die goed ademhalen. Ik kreeg bijna een hekel aan mijn vrouw omdat ze een neus heeft waaraan niets mankeert. Zelfs als ze griep heeft, raakt haar neus niet verstopt. Mijn euvel is blijkbaar nogal dominant. Al onze kinderen hebben mijn neus geërfd en niet die van hun moeder.

Ondanks die verstopte neus en mijn koortsige ogen zag ik deze week helder hoe de mensen verwoede pogingen deden om Obama – een lieve, bekwame man met een goed hart – om te toveren.

Laten we eerlijk zijn, wij mensen, hoe sterk we ook in onze schoenen staan, zijn ontvankelijk voor het strelen van ons ego. En het ego van Obama kan nog zo sterk zijn, misschien ijzersterk, er is niets bestand tegen al dat geweld van likken, paaien en slijmen.

De afgelopen dagen zag ik de eerste scheuren in het ego van Obama. En ik schrok. Hij zei dat hij fouten zou maken, maar dat het uiteindelijk goed zal komen. Hij zei dat hij naar iedereen zou luisteren, elke dag.

Niet doen, meneer Obama! Alsjeblieft niet! Luister niet naar iedereen. Want dat kun je niet, je bent God niet. Zie je niet de ellende die de wereld treft? Dat komt doordat God naar iedereen luistert.

Praktisch is het niet haalbaar. Als Barack Obama naar al die miljoenen Amerikanen luistert, kan hij alleen maar verscheurd raken. Hij kan niet luisteren naar de racisten en de multiculturalisten, de rechtse en de linkse Joden, de gematigde en extreme moslims, de rechtse en de linkse christenen, de arme en de rijke zwarten, de homo’s en de hetero’s, de criminelen en de slachtoffers. En dan ook nog naar de rest van de wereld, buiten Amerika. Dat kan gewoon niet.

Hoe dan ook zullen we spannende tijden beleven. Ik hoop dat Obama twee termijnen uitzit, tenminste als hij vrede brengt en de economische crisis onder controle krijgt.

Ik hoop dat Obama Iran met Israël verzoent, en India met Pakistan. Dat hij de vijf delen van onderdrukt Koerdistan bevrijdt. Dat hij alle terreurorganisaties verandert in hulporganisaties. Dat hij de kloof tussen rechts en links doet vervagen. Dat hij religieuze conflicten weet te verkleinen.

Dat hoop ik. Maar ik bid niet. Want God luistert naar iedereen.

mailIcon print |