Het mag wel wat kwajongensachtiger
Pieter Winsemius vindt het ’helemaal niets’ om de Al Gore van Nederland genoemd te worden. Maar als zijn uitverkiezing tot invloedrijkste duurzame Nederlander, samen met Herman Wijffels, ertoe kan bijdragen dat duurzaamheid ook en juist in tijden van crisis met hoofdletters geschreven blijft, dan neemt hij de eretitel graag in ontvangst.
Wat heet duurzaam? Wat betekent het om deze wereld overeenkomstig de brede definitie van Brundtland niet slechter achter te laten voor de volgende generatie? Anders dan je zou verwachten, beland je met deze vragen bij Pieter Winsemius niet in een alarmerende discussie over smeltende ijskappen, de noodzaak van een Deltaplan tegen de stijging van de zeespiegel of de omvangrijke vleesconsumptie. Evenmin lijken de mystieke dimensies van Moeder Aarde, de deep ecology, aan hem besteed: „Praten met bomen, of geloven in het bestaan van kabouters. Ik herken het verschijnsel, al was het maar omdat tijdens mijn ministerschap een van de directeuren-generaal er heilig in geloofde. Het schijnt ook dat Herman Wijffels er gevoelig voor is. Er is ook niets op tegen. Maar mij zegt het niets.”
Werken aan duurzaamheid betekent in het geval van Winsemius vooral aandacht besteden aan de zwakste schakel: de sociale kant van de zaak. De oud-politicus, natuurkundige en organisatiedeskundige, verklaart zijn prioriteit aldus: „Toen ik nog minister van milieu was in het eerste kabinet-Lubbers, begin jaren tachtig, draaide het vooral om de veronderstelde tegenstelling tussen economie en milieu. Om de eerste twee p’s dus van de drieslag van duurzaamheid: profit, planet en people. Pas veel later ontdekte ik dat een duurzame wereld niet kan bestaan als het onder de mensen (de people dus) in sociaal opzicht rammelt. Vandaar dat ik me als lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid helemaal op de buurten heb gestort.”
„Er ging een wereld voor me open. Jazeker, als Alice in Wonderland. Ik kom geregeld thuis met het idee: dat bestaat toch niet, in een rijk land als Nederland. Die opeenstapeling van problemen in één wijk, in één gezin vaak. Als het al om een gezin gaat. Want het probleem is vaak dat er hordes jongeren opgroeien zonder een normaal thuis. Waar een tweeënhalfjarige gewoon over de betonnen vloer kruipt, zonder speelgoed, en moeder niet eens de moeite neemt om de boel zindelijk te houden – een vader is nergens te bekennen. Zwammen op de muur. Pis op de vloer. Als een politiefunctionaris na zo’n rondtocht half berustend tegen me zegt: ’dat zijn later mijn klanten’, dan kan ik alleen maar beamen: zo is het, zo’n kind is nauwelijks meer te redden.”
„Of neem die jongeren die in buurten opgroeien waar men vaak van generatie op generatie werkloos is. Soms lukt het om ze voor een werkproject te interesseren. Vaak draait het op een mislukking uit, domweg omdat ze geen benul hebben van tijd. ’Ik wou dat ik een zak geld had, alleen maar om ze te leren om acht uur op het werk te zijn’, vertelde een begeleider mij. Dan zou ik al meer dan de helft hebben gewonnen. Maar tijdsbeleving en de daarbij behorende discipline blijkt vaak een brug te ver. En ja, dan houdt de baas het ook voor gezien.”
„Neem van mij aan: deze jongens zijn de beroerdsten niet en ze zijn ook niet gek. Hun probleem is dat ze geen perspectief zien, in de vorm van zoals platweg gezegd wordt: wijf, werk en woning. En ons probleem is dat het hun ook niet geboden wordt. Stel je eens voor hoe het is in zo’n wereld te leven. Als het ’normale’ mensen tegenzit, dan is er altijd wel iets om op terug te grijpen, om het evenwicht te herstellen. Je praat met deze of gene, je gaat een eindje hardlopen, of je trekt je terug in een comfortabele kamer. Maar in die buurten is vaak niets om op terug te vallen. Zoals een van de begeleiders het uitdrukte: ze leven alleen in een harde wereld. En er is ook niemand die van hen houdt.”
„Het klinkt deprimerend. Maar neem van mij aan, je krijgt er barstensveel energie van om je met die buurten bezig te houden. Ik zeg wel eens tegen premier Balkenende, als ie een keer een slechte dag heeft: ga eens met die jongens praten. Dan heb je binnen de kortste keren in de gaten hoe onvoorstelbaar bevoorrecht wij zijn. En hoe onvoorstelbaar veel er ook te doen is. De zaken waar wij ons druk over maken, zijn vaak luxe problemen.”
„Ik durf de stelling aan dat het milieu een rijkeluisprobleem is. Niet meer dan dat we de zaken een kwartslag of zo moeten draaien. Dat gaat ook gebeuren. Het milieu zit zo langzamerhand in onze genen. Er hoeft op dat terrein maar iets te gebeuren, of er staan hordes actiegroepen en politieke partijen klaar om er de volle aandacht voor te vragen. In sociaal opzicht laten we het echter afweten. Vroeger had je daarvoor de kerk, of de vakbeweging, maar die zijn hun greep op de buurt kwijtgeraakt. Er is een gat gevallen, waardoor we de slag naar echte duurzaamheid maar moeizaam kunnen maken.”
Dreigt met de economische crisis het milieu ook niet achterop te raken? Zie het recente gemopper op de complexiteit van milieucriteria, waardoor allerlei voor de werkgelegenheid belangrijke projecten niet van de grond lijken te komen?
„Voor dat gemopper geef ik geen cent. In negen van tien gevallen blijkt gewoon dat de overheden hun huiswerk slecht gemaakt hebben. Die criteria zijn zo ingewikkeld niet. Het probleem is dat bestuurders er een potje van maken. Dat die weg van Delft naar Rotterdam er na dertig jaar nog altijd niet ligt, komt echt niet door ingewikkeldheid van de criteria, of de bezwaarschriften van milieugroeperingen.”
„Of neem dat gehannes met de HSL-lijn. Als de overheid voor de verstandige variant van ir. Bos had gekozen, zou die lijn al lang operationeel zijn geweest. Maar nee, de bestuurders waren als de dood dat de trein twee minuten later in Parijs zou arriveren. En dus koos men voor de duurste en moeizaamste variant, inclusief de aanleg van een tunnel onder een weiland van negenhonderd miljoen euro. Alleen om D66 te plezieren. Dat geld had men beter voor iets anders kunnen gebruiken.”
„Los daarvan, wat voor signaal geef je door nu de hand te lichten met milieucriteria? Daarmee zeg je met terugwerkende kracht dat die niet serieus te nemen zijn. Zo diep zijn we zelfs in het begin van de jaren tachtig niet gezonken, toen het milieu nog in de kinderschoenen stond en we het moesten opnemen tegen de vanzelfsprekende overheersing van de economie. Toen was er ook een gierende werkloosheid. Veel hoger dan nu. Nochtans kregen we het toen met de top van het bedrijfsleven voor elkaar de milieudoelstellingen juist hoog in het vaandel te schrijven. Zouden we het dan nu moeten laten afweten? Dat kan niet. Het milieu doen we voor het eggie.”
Geldt dat ook voor het kabinet? Nederland is al lang geen koploper meer op het punt van duurzaamheid. Het lijkt erop dat we verder achterop raken?
„Laat ik het zo zeggen: in het vorige kabinet Balkenende nam de toenmalige staatssecretaris van milieu, Pieter van Geel, er genoegen mee dat Nederland afzakte naar het peloton. Vertel dat eens aan je kinderen aan de keukentafel? Daar moet je kunnen uitleggen: we doen echt wat voor jullie als opkomende generatie. Dan is een plaats in het peloton voor een rijk land echt beneden de maat. En eerlijk gezegd weet ik niet zeker of het huidige kabinet het er veel beter vanaf brengt. De intenties zijn goed. Maar ik zie de punten niet waar het een doorbraak wil maken. Ze zetten te laag in. Neem alleen al zo’n doelstelling om de woningcorporaties tot een energiebesparing van twintig procent te prikkelen in een periode van twintig jaar. Dat prikkelt niet echt.”
„Je bereikt pas iets als je wat kwajongensachtiger te werk gaat. Als je hoger durft in te zetten en laat zien waar je een doorbraak wil bewerkstelligen. Dan gaan ambtenaren, maar ook het bedrijfsleven en burgers, met je meedenken. Dan gebeurt er wat, zoals er ook in 1982 wat gebeurde toen we de zure regen wilden uitbannen. Dat is gelukt, ook al had ik er toen als minister eerlijk gezegd geen idee van wat ik me precies op mijn hals haalde.”
„Waar het om gaat is dat de boodschap overkomt dat het ons ernst is de slag naar duurzaamheid te maken. Dat is meteen ook de reden waarom ik duurzaamheid niet als vanzelfsprekend wil koppelen aan de naam Al Gore. Zijn boodschap is ongetwijfeld sterk, ook al zijn er kanttekeningen bij te maken. Maar toen hij vicepresident was onder Clinton, merkte ik daar weinig van. Toen hij dus in een positie verkeerde om echt te laten zien dat duurzaamheid er toe doet.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.