Het vraagt veel, maar topsport heeft ook veel te bieden. Wat vinden sporters zo waardevol in hun bestaan? Drie toppers vertellen over hun bezieling. Deel twee: schaatsster Ireen Wüst.
„In topsport leer ik mezelf op een bizarre manier kennen. Wat het zo mooi maakt, is dat ik constant de grenzen opzoek van mijn eigen kunnen. Steeds probeer ik er weer een stapje overheen te doen.
Vorig seizoen ben ik over de grens gegaan. Ik ben ziek geweest, maar heb toch doorgetraind. Daar ben ik lichamelijk eigenlijk niet echt meer bovenop gekomen. Puur op wilskracht werd ik Europees kampioen en tweede op het WK Allround. Het was geen makkelijk jaar, aan het einde was ik lichamelijk en mentaal gesloopt. Dit seizoen wilde ik absoluut niet beginnen zoals ik het vorige had afgesloten, maar het begon toch weer met teleurstellingen. De vraag is hoe je daar mee om gaat.
Het wordt ook nog eens breed uitgemeten in de pers, ik moet soms een soort muur bouwen. Iedereen gaat zich ermee bemoeien. Als mijn vader bij de slager staat, gaan mensen tegen hém zeggen wat ik moet doen om weer harder te gaan schaatsen. Zo ver gaat het. Je bent een bekende Nederlander, dus heeft iedereen wat over je te zeggen. Ik heb moeten leren dat ik me niet te veel laat raken.
Topsport betekent voor mij tot het uiterste gaan. Dat is lichamelijk, maar ook mentaal. Als ik echt niet meer kan, is er toch iets in me dat zegt: hou op met zeuren, je gaat nog één rondje voluit. Ook al wil ik niets liever dan stoppen, aan de kant gaan liggen en uithijgen, het geeft een kick om mezelf er tóch toe te zetten.
Het doorzetten heeft altijd in me gezeten. Ik was elf toen mijn vader meedeed aan de Elfstedentocht. Met mijn broer zat ik bij opa en oma voor de televisie. Halverwege gaf mijn vader op en liet zich ophalen door mijn moeder. Zo ontzettend kwaad werd ik, ziek was ik ervan. Ik kon me gewoon niet voorstellen dat je er aan begint en halverwege afhaakt.
Tegenslagen wil ik niet uit de weg gaan, ik wil problemen aangrijpen om er het beste van te maken. Er zijn zoveel facetten die moeten kloppen, en alleen als alles klopt, kun je spreken van vorm. Vanaf april tot en met maart – we hebben drie weken vakantie per jaar – zijn we bezig om de puzzel op te lossen: hoe moet ik het doen om straks het hardste te gaan, en ook nog op het juiste moment? De regisseur van de puzzel is Gerard, mijn coach, die legt de grote puzzelbrokken neer. Maar ik ben degene die feedback moet geven, ik moet zelf aangeven wanneer ik moe ben, of ik een training wel of niet aankan. En het aanvoelen van mijn lichaam is een leerproces, ik ben nu eenmaal geen robot met knopjes ’aan’ en ’uit’.
Het ene moment is doorzettingsvermogen mijn kracht, omdat ik zo diep kan gaan, maar het andere moment is het een valkuil. Als topsporter balanceer ik steeds op de rand. Daarmee haal je het uiterste, maar herstel je ook weer goed. Vorig jaar ben ik over de rand gegaan en dan kukel je er keihard af. Het duurt altijd langer om te herstellen dan om kapot te gaan.
Ik probeer nu eerder signalen van mijn lichaam op te vangen. Als ik zere benen heb, vraag ik me af: wat voel ik precies? Zijn het zere benen omdat ik hard getraind heb? Zijn ze nog niet hersteld? Is het spierpijn, of voelt het zeurderig? Ik probeer onderscheid te maken en op basis daarvan een stapje terug te doen, of door te gaan. Veel mensen staan niet echt stil bij hun lichaam; bij hoofdpijn nemen ze een tabletje. Als topsporter ben ik heel bewust met lichaam en geest bezig, dat vind ik bijzonder.
Aan het begin van het seizoen heb ik de vraag gesteld: vind ik het nog leuk? Het antwoord is ja. Ik geniet ervan om met 55 kilometer per uur door een bocht te gaan, of van een blokje duurtraining dat heel lekker gaat. Ook al gaat het de laatste tijd niet echt zoals ik wil, ik kan nog steeds heel veel plezier aan mijn sport beleven.
Het schaatsen is nu het grote doel, daar leef ik voor. Maar ik moet het ook relativeren, in een breder perspectief zien. Mijn probleem is dat ik de prestatie soms te belangrijk maak. Bij de skate-off voor de Worldcups wilde ik zo graag goed schaatsen, dat ik blokkeerde aan de start. Ik kon gewoon niks, ik kon niet diep zitten, ik kon niet schaatsen zoals ik schaats. Mijn lichaam raakte in een paniek, het sloeg dicht. In de trainingen voor en na de wedstrijd reed ik de sterren van de hemel. Op dat moment wist ik dat het in mijn hoofd zat, dat ik het zelf deed. Ik wilde mezelf té graag bewijzen dat ik het kan. Nu probeer ik meer te ontspannen en te vertrouwen op mijn vorm.
In mijn carrière loop ik steeds nieuwe fasen door. Eerst kwam ik aan de top; hoe ga je ermee om dat je olympisch kampioen wordt en ineens bekend bent? Vervolgens was ik de grote favoriet bij het wereldkampioenschap. Omgaan met die druk was ook een proces. Het seizoen daarna ging ik lichamelijk niet goed, maar heb ik op wilskracht veel bereikt. En nu is er weer een nieuwe fase; ik ben lichamelijk wel goed, maar er is toch iets waardoor ik blokkeer. Interessant om dit leerproces door te maken. Ik leer steeds weer een nieuw ’ik’ kennen. Hoewel het natuurlijk niet fijn is als het niet lekker gaat, word ik er wel sterker van.
Ook als ik morgen zou stoppen, heeft mijn carrière zin gehad. Ik heb mezelf op zoveel manieren leren kennen, heb voor zoveel verschillende situaties gestaan. Uiteindelijk maakt het aantal gouden medailles me niet gelukkiger of ongelukkiger. Vroeger dacht ik dat wel, maar ik ben nog steeds dezelfde Ireen als vóór het goud. Zolang ik plezier maak en ervan leer, is mijn schaatsleven waardevol.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.