*

 

Praten is prima, maar zeker niet verplicht

Van onze redactie wetenschap − 28/02/09, 00:00

Overlevenden van het vliegtuigongeluk bij Schiphol krijgen in eerste instantie vooral praktische hulp en een luisterend oor. Emotionele bijstand volgt pas later.

  •  (Trouw)
    (Trouw)

Bij slachtofferopvang denken de meeste mensen vooral aan emotionele begeleiding. Het woord wekt de indruk dat er in gymzaaltjes een bataljon hulpverleners klaarstaat bij wie overlevenden en nabestaanden kunnen uithuilen.

In werkelijkheid is de eerste opvang meer praktisch van aard, vertelt Laura Elsenaar, woordvoerster van Slachtofferhulp Nederland dat de opvang bij het Turks-Nederlandse vliegtuigongeluk regelt. „Mensen willen naar hun familie toe. Ze willen telefoneren of zitten zonder bagage. Voor zulke dingen proberen wij snel iets te regelen.”

Hulpverleners bieden ondertussen ook een luisterend oor, maar emotionele hulp volgt pas later, meestal binnen twee dagen. De overlevenden of nabestaanden krijgen dan een vrijwillig gesprek aangeboden. Er wordt geen hulp opgedrongen, aldus Elsenaar. „We gaan de gebeurtenis niet ongevraagd met iemand reconstrueren.”

Het eerste gesprek is vooral bedoeld om slachtoffers gerust te stellen. „Vaak vinden ze zelf dat ze raar reageren: slapeloze nachten, het voortdurend herbeleven van het ongeluk, trillende handen, niet helder kunnen denken... Wij leggen uit dat dit volstrekt normale reacties zijn op een abnormale ervaring.”

Het komt ook voor dat mensen aanvankelijk nergens last van hebben en pas thuis, wanneer ze de rust hebben om na te denken, de klap krijgen. Indien gewenst neemt Slachtofferhulp daarom na twee weken opnieuw contact op, en na twee maanden weer. „Blijkt de verwerking na die tijd gestagneerd, dan kan er een trauma zijn. We verwijzen de patiĆ«nt in zo’n geval door naar een professionele hulpverlener.”

Een complicatie bij de huidige crash is dat veel overlevenden in Turkije wonen. Het werkterrein van Slachtofferhulp houdt in principe op bij de landsgrenzen. Het is niet de bedoeling dat medewerkers tot in Turkije achter slachtoffers aan gaan bellen. Wel laat de organisatie op dit moment de folder ’De schok te boven’ in het Turks vertalen. Dit document bevat praktische adviezen om de draad weer op te pakken.

In het verleden verliep hulpverlening anders. In de jaren vijftig was het bijvoorbeeld gebruikelijk om aan oorlogstrauma’s zo min mogelijk aandacht te besteden. Negeren leek het devies. Later sloeg het door naar de andere kant. Toen raakte het in de mode om elk slachtoffer uitgebreid te ’debriefen’. „Mensen moesten direct hun emoties uiten en overal over praten, liefst in een groep”, vertelt Miranda Olff, hoofd van de psychotrauma-afdeling van het AMC in Amsterdam. „Daar zijn we inmiddels van afgestapt. Hulpverlening is nu vooral gericht op het bevorderen van het natuurlijk herstel. Praten is prima als iemand er behoefte aan heeft, maar niet te nadrukkelijk en zeker niet verplicht.”

Het afscheid van het ’debriefen’ kwam kort na de Bijlmerramp (1992), waarbij een vrachtvliegtuig zich in een Amsterdamse flat boorde. Uit onderzoek tijdens de nasleep van die ramp bleek dat het stimuleren van emotionele uitingen niet hielp en soms zelfs schadelijk was, mogelijk doordat mensen zich door de beladen praatsessies later meer details bleven herinneren. Ook ’psycho-educatie’, waarbij slachtoffers te horen krijgen wat er met hun gemoedstoestand kan gebeuren, bleek niet of contraproductief te werken.

„De nadruk ligt nu op praktische en soms juridische hulp”, zegt Olff. „Bij aanhoudende problemen wordt het zaak mensen psychische hulp te bieden. Dat staat in alle richtlijnen en is goed doorgedrongen tot hulpverleners.”

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />