*

 

JP is geen tweede Colijn en Bos is geen potverteerder

Hans Goslinga − 21/02/09, 00:00

opinie Jan Peter Balkenende werd bij zijn aantreden als CDA-leider vrij snel vergeleken met Abraham Kuyper, maar zelf spiegelt hij zich liever aan Hendrik Colijn, die premier was tijdens de crisis in de jaren dertig.

Of dat gegeven de natie gerust zal stellen, nu het vierde kabinet-Balkenende voor de opgave staat een zware recessie te beteugelen, is de vraag. Het beeld van Colijn en diens ’politiek van aanpassing’ is nog altijd ongunstig. Door zijn halsstarrige weigering de gulden door devaluatie goedkoper te maken zou de crisis, met een werkloosheid die opliep tot dertig procent, in Nederland langer hebben geduurd en meer sociale misère hebben veroorzaakt dan nodig was.

De moraal van de geschiedenis zou dus kunnen zijn dat je in tijden van crisis dubbel moet oppassen voor die harde gereformeerde koppen. De werkelijkheid was, zoals zo vaak, veel genuanceerder dan het beeld.

Zo was Colijn niet de enige die vond dat de gulden gekoppeld moest blijven aan het goud. Ook zijn minister van financiën, de vrijzinnig-democraat P.J. Oud, die na de oorlog tot de oprichters van de VVD behoorde, was die overtuiging toegedaan. Oud geneerde zich daar naderhand niet voor.

Hij beschouwde handhaving van de gouden standaard als de grondslag van de regeringspolitiek en verwierp experimenten met de munt, zoals hij later zelf schreef, met beslistheid. Nederland moest zich maar instellen op een lager welvaartsniveau. Dat betekende dus harde bezuinigingen op de overheidsuitgaven, waaronder de ambtenarensalarissen en de werkloosheidsuitkeringen, om het financieringstekort (in 1933 25 procent!) terug te dringen. Politiek pikant: anders dan de liberaal Rutte nu, piekerde Oud er niet over het begrotingsevenwicht in één keer te herstellen. Dat was in zijn ogen een kwestie van jaren. Hij volgde daarmee de lijn die Balkenende en Bos nu ook kiezen, met steun van het overgrote deel van het parlement.

Rutte heeft zich met zijn voorstel om door een monsterbezuiniging van 40 miljard euro het tekort al volgend jaar weg te werken in een isolement gemanoeuvreerd. De prijs voor rechtlijnigheid gaat dus naar hem, niet naar de kleinzoon van Colijn, die zich afgezien van zijn ban over de hypotheekrenteaftrek opmerkelijk soepel opstelt. Zelf zal hij in die houding geen tegenspraak zien met zijn markante voorganger. Bij de presentatie van de biografie over Colijn in 2006 zei Balkenende dat deze, in weerwil van de beeldvorming, niet zo gemakkelijk in typeringen is te vangen. Zo was Colijn, zei hij, onverzettelijk, maar op veel momenten ook verrassend flexibel.

Balkenende toonde die onvermoede kant van zichzelf na de verkiezingen van 2006 door tamelijk gemakkelijk van de VVD naar de PvdA te switchen. Dat deed sterk denken aan Colijn, die in 1933 tot verbazing van de natie de tegenstelling tussen christelijke en seculiere partijen doorbrak door voor het eerst de samenwerking met vrijzinnig-democraten en liberalen aan te gaan. Hij verbreedde daarmee het draagvlak voor zijn impopulaire aanpassingspolitiek. Balkenende deed zich in zijn eerste kabinetten met de VVD kennen als een ideologisch gedreven bezuiniger, die de mensen met hun neus op hun eigen verantwoordelijkheid wilde drukken, nu opereert hij veel behoedzamer en legt hij meer de nadruk op de sociale cohesie in de samenleving.

In de jaren dertig waarschuwden de socialisten Colijn en Oud dat hun bezuinigingen op ambtenarensalarissen en sociale uitkeringen de crisis zouden verergeren. Minder bestedingen hielpen de economie juist verder in de put. Van deze notie lijken Balkenende en Bos zich, anders dan Rutte, voluit bewust. De minister van financiën denkt vooralsnog niet aan lastenverhogingen om de reden die zijn politieke grootvader Albarda meer dan zeventig jaar geleden tevergeefs aanvoerde. De euro moet blijven rollen.

Het kan enige verbazing wekken dat Balkenende, die in de vorige regeerperioden dikwijls voor een neoliberaal werd gehouden, zich nu meer thuis voelt bij Bos dan bij Rutte. Het is nog niet lang geleden dat de christen-democraten gruwden van de Keynesiaanse politiek om in magere jaren de overheidsuitgaven op te voeren. Maar de tijden zijn na de kredietcrisis snel veranderd en daar komt bij dat Balkenende als aanhanger van het geloof in groei en vooruitgang uiterst beducht is voor economische neergang.

In de nazomer van 2006 wees hij er in een rede voor de universiteit van Twente op dat groei ons niet enkel materiële vooruitgang brengt, maar ook morele waarden versterkt, zoals tolerantie tegenover vreemdelingen, sociale mobiliteit en een socialer beleid. Hij ontleende die wijsheid aan de Amerikaanse econoom Benjamin Friedman (niet te verwarren met de neoliberaal Milton Friedman), die na een onderzoek naar de ontwikkelingen in de grote westerse landen in de afgelopen twee eeuwen concludeerde dat economische groei beschaving en democratie voortbrengt en depressie spiegelbeeldig moreel verval en ontsporing.

Ook daarom zal de politiek van aanpassing van dit kabinet afwijken van die van Colijn, in wiens tijd ook hier de roep om autoritair in plaats van democratisch leiderschap luid opklonk. Ten bewijze van Friedmans gelijk: in het midden van de crisisperiode behaalde de anti-parlementaire NSB, die net als de Duitse NSDAP van het leidersbeginsel uitging, acht procent van de stemmen. Een andere politieke conclusie na deze week is dat de VVD onder Rutte noch voor het CDA, noch voor de PvdA een alternatieve coalitiepartner is. De partijen zijn dus op elkaar aangewezen en dat is geen ramp. Bos is niet de potverteerder voor wie Rutte hem houdt, zoals Balkenende geen tweede Colijn is.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />