*

 

Wie kan een asielrelaas het beste beoordelen?

Bart Zuidervaart − 26/01/09, 00:00

Vreemdelingenrechters worstelen met de in hun ogen frustrerende rechtspraak van de Raad van State. Vandaag verschijnt er een boek over.

  • Asielzoekers in het uitzetcentrum in Ter Apel. Vreemdelingenrechters vinden dat de rechten van vreemdelingen worden uitgehold. (Robin Utrecht/ANP)

Twee keer is de Raad van State op toernee geweest langs de vreemdelingenkamers van de rechtbanken. De eerste keer was in 2001. De Raad van State zou vanaf dat moment in hoger beroep over vreemdelingenzaken beslissen. Er volgden formele ’thee-en-koekjes-gesprekken’, ter kennismaking, in een goede sfeer.

In 2007 volgde een nieuwe rondgang. Het resulteerde in ’benen-op-tafel-gesprekken’, zoals een rechter het omschrijft. ’Een charmeoffensief’ van de Raad van State, vindt een collega. ’Een goodwill tour’, zegt een ander. Van de goede verstandhouding uit 2001 was weinig over.

Wat is er in die zes jaar gebeurd? Waarom reageren vreemdelingenrechters met termen als ’woede’, ’razernij’, ’kwaaie koppen’, ’frustratie’ en ’cynisme’ op de rechtspraak van de Raad van State?

Vóór 2001 hadden lagere rechters het laatste woord in vreemdelingenprocedures. Het hoger beroep bestond niet. Dat leidde soms tot rechtsongelijkheid, constateerde de wetgever. Twee rechtbanken konden in gelijksoortige gevallen anders oordelen. De Raad van State moest vanaf april 2001 als hoogste vreemdelingenrechter één heldere lijn trekken. En dat gebeurde. De Raad van State doet vaak ’per kerende post’ uitspraak, zegt een rechter. Dat was het positieve.

Uit onderzoek van de rechtssociologen Kees Groenendijk en Ashley Terlouw blijkt dat negatieve reacties overheersen. Zij ondervroegen vreemdelingenrechters over de rechtspraak van de Raad van State en de gevolgen ervan voor hun werk. De kritiek liegt er niet om.

Rechters vinden dat de Raad van State hun werk geleidelijk aan banden heeft gelegd; een asielrelaas inhoudelijk beoordelen mag niet meer. Ze vinden uitspraken van de Raad te summier gemotiveerd. Soms wordt de strekking ervan pas na jaren duidelijk. De Raad van State zou te veel op de hand van de minister zijn, ze ’leunt tegen de Staat aan’. En de Raad heeft te weinig oog voor Europees recht, luidt de kritiek.

Deze geluiden zijn niet nieuw. Vorig jaar april nam Groenendijk een voorschot op dit boek, tijdens zijn afscheidsrede op de Radboud Universiteit. Daarin gaf hij de kern van de kritiek weer en zei hij zich te schamen voor de geleidelijke uitholling van de rechten van vreemdelingen.

Een lid en een stafjurist van de Raad van State kwamen een maand later via een opiniestuk in NRC Handelsblad in het geweer, zij het op persoonlijke titel. Zij hekelden de ’krakkemikkige’ onderzoeksmethode. Groenendijk en Terlouw ondervroegen 24 vreemdelingenrechters, op een totaal van zeker 75. Ze schreven: ’Op basis van hele kleine aantallen werd er lustig op los gegeneraliseerd (...). Er ontstaat zo ’een vals en eenzijdig beeld’. Ze noemen het hoger beroep bij de Raad van State ’geen volledige herkansing’, zo is het in de wet geregeld. In het opiniestuk namen deze auteurs geen millimeter afstand van de jurisprudentie van de Raad van State. Toch zien de rechtssociologen sinds 2007 een kleine kentering. Een artikel in de krant is een begin van een debat. Net als een ’goodwill tour’ langs rechtbanken.

Kees Groenendijk en Ashley Terlouw: Tussen onafhankelijkheid en hiërarchie, de relatie tussen vreemdelingenrechters en de Raad van State, 2001-2007 ISBN 9789012381376, 156 blz. 25 euro .

mailIcon print |