*

 

Breinpil zal heel gewoon worden

Govert Valkenburg − 30/01/09, 00:00

Medische technieken voor ’mensverbetering’ roepen weerstand op. Maar lang zal dat niet duren.

In het tweeluik over de ’perfecte mens’ laten filosofen Martijntje Smits, Mirjam Schuiff en Frans Brom (24 en 17 januari)een belangrijke stap achterwege: hoe komen we tot een oordeel over wat we straks wel en niet willen? In het eerste artikel stellen ze dat in discussies over ’mensverbetering’ de sceptici het nakijken hebben: de negatieve gevolgen zijn moeilijk overtuigend in kaart te brengen, terwijl de mooie beloftes daarentegen voor veel aanhang zorgen. In het tweede artikel voegen zij daaraan toe dat politici niet graag hun vingers branden aan dergelijke onderwerpen. Politici beperken zich liever tot concrete gevallen. Beter zou het volgens de auteurs zijn als die politici juist wel in een vroeg stadium een debat voeren over die fundamenten.

Met deze aanbeveling doen de auteurs echter geen recht aan een essentieel maar complicerend mechanisme: onze morele opvattingen veranderen voortdurend. En dat komt niet in de laatste plaats door veranderingen in diezelfde wetenschap en techniek die hier ter beoordeling staan.

Veranderingen in morele opvattingen zijn van alle tijden. De auteurs geven dit raak weer: IVF, Ritalin en cosmetische chirurgie werden alle aanvankelijk met scepsis ontvangen. Nu zijn ze echter de gewoonste zaak van de wereld en veelal niet meer dan een kwestie van smaak. Het staat een ieder vrij ze al dan niet te gebruiken, en slechts voor een enkeling is IVF een moreel probleem.

Smitst en Schuijff laten helaas de vraag onbeantwoord hoe het komt dat deze morele verandering optreedt. De simpelste verklaring is dat het een kwestie van wennen is. Naarmate we vaker succes boeken, zal er elke volgende keer minder twijfel bij rijzen. Zo wordt een ingreep stukje bij beetje de gewoonste zaak van de wereld, en daarmee inderdaad een kwestie van smaak. Tegelijk is het onvoorstelbaar dat we langs die weg ooit zullen wennen aan moord en verkrachting – gelukkig. We willen er immers niet aan wennen. Toch is ook dat ’willen’ op zich geen sluitende verklaring: in de begindagen van de abortus zoals we die nu kennen, was de walging die velen hierbij voelden zeker te vergelijken met die over moord. Nu hebben de meeste mensen hier een veel genuanceerder idee over.

We hebben aan abortus kunnen wennen doordat de de ingreep relatief onproblematisch werd. Zo heeft abortus steeds meer een medisch karakter gekregen en kon de beslissing onderdeel worden van de autonomie van de vrouw. Maar het blijft een feit dat abortus eerst moord was en nu een moeilijke maar autonome beslissing van de vrouw.

Dit plaatst de doemscenario’s uit beide stukken in een ander daglicht. Ze zijn walgelijk tegen het licht van de morele opvattingen van vandaag. Inderdaad, vandaag zou het een wrang idee zijn, als het de schoolkeuze van leerlingen van groep acht ervan afhangt of de ouders de juiste pilletjes kunnen betalen.

Maar wat nu als dat pilletje straks net zo onschuldig en beschikbaar is als een paracetamol of een vitaminesupplement nu? En wat is er dan vervolgens zo slecht aan, als kinderen van dit toekomstige ’voedingssupplement’ gewoon beter worden, net zoals vandaag van tandpasta met fluor? Ik denk dat we daar straks helemaal niet zo’n probleem in zien – hoe bizar de beelden ons nu ook voorkomen.

Ik stel niet voor om blind elke techniek te omarmen. De genoemde bezwaren moeten we serieus nemen. Maar om daar recht aan te doen, moeten we ons de normen en waarden voorstellen waarlangs we in de toekomst zullen oordelen. Het is niet makkelijk te weten wat voor maatschappij we willen: ons begrippenkader is al verouderd voordat we goed en wel begonnen zijn. De oproep van Smits, Schuijff en Brom tot een maatschappelijke discussie blijft kwetsbaar voor dit ’ongewisse van de moraal’.

Wat we wel kunnen doen, is ons afvragen hoe onze morele opvattingen veranderen onder invloed van technische en wetenschappelijke ontwikkelingen in de genoemde richting. Veel van deze begripsveranderingen accepteren we – gezien het recente verleden – zonder morren. Daar worden we bovendien in de regel niet veel slechter van. En voor zover dat wel zo is, kunnen we in elk geval een zinnig gesprek voeren.

Die veranderingen van ons begrippenkader zijn namelijk veel dichterbij dan de concrete technologieën die we straks moeten beoordelen. Dan is vervolgens veel inderdaad gewoon ’even wennen’. Met die doemscenario’s zal het dan echt wel meevallen.

Govert Valkenburg
techniekfilosoof Universiteit Twente

mailIcon print |