In dit zestiende gesprek over poëzie en filosofie legt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer twee gedichten uit het complexe oeuvre van Kees Ouwens naast elkaar: het ’echte’ gedicht en een zogenaamde kladversie. „Prachtig vind ik die lange tirade. De mooiste opsomming van alle gekkigheid uit de jaren zeventig en tachtig die ik ken.”
Hermetisch, complex, compromisloos, ondoordringbaar – het zijn de termen die critici gebruikten om het werk van de dichter Kees Ouwens (1944-2004) te karakteriseren. Ouwens was niet gediend van deze kwalificaties. Hoewel hij ook bekendstond als een poet’s poet die veel prijzen mocht ontvangen, vond Ouwens dat hem onrecht werd aangedaan. Daarom nam hij uit ’spotlust’, zoals hij zelf zei, in zijn bundel ’Mythologieën’ een kladversie op. Dit zogenaamd onaffe gedicht ’Voorproef’, staat vlak na het eigenlijke gedicht. En ja hoor, de critici bejubelden ’deze gevoelsuitstorting’, zoals Ouwens ’Voorproef’ bestempelde. Hun lof stelde Ouwens bitter teleur.
„Toen ik dit verhaal las in een in memoriam over Ouwens”, zegt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer, „herkende ik me er onmiddellijk in. Ook ik vind ’Voorproef’ prachtig, en na eerste lezing waardeerde ik het inderdaad veel meer dan het voorafgaande titelloze gedicht.”
Sindsdien laten deze gedichten hem niet meer los. Is ’Voorproef’ inderdaad alleen een kladversie? Waarom heeft Ouwens het uiteindelijke gedicht zo versleuteld? En wat betekent het voor zijn oeuvre dat er zulke kladversies bestaan?
De eerste twee strofen van ’Voorproef’ vormen een lange ontkenning: ’nee, nergens’ Wat is er niet?
„Nergens is troost of verlichting of verlossing te vinden. Een van de redenen dat ik dit gedicht zo mooi vind is de statige, Statenvertalingachtige taal van deze opsomming die tegelijk ironisch is, met af en toe een prachtige uitdrukking als ’de dag op de been helpen’.”
Ik vind ’het gaan zien cultisch’ een afzichtelijke formulering.
„O nee, ik hoor het een progressieve voorganger uit de jaren zeventig zeggen: ’Lieve mensen, dit moet u cultisch zien.’ Bijvoorbeeld het verbod op homoseksuele praktijken in het boek Leviticus, die alleen verboden zouden zijn omdat zij verbonden waren met een heidense cultus. De gekke formulering heeft een ironisch effect. Let er ook op dat aan het eind van de tweede strofe de uitdrukking ’zien van het geziene uit’ hiernaar terugwijst en wel als bijstelling van ’afdanken’. Dat wijst op zorgvuldige compositie maar is zeker ook een uiting van ’spotlust’.”
Misschien is het zinnig de opsomming nader onder de loep te nemen.
„De ontkenning loopt door in de eerste twee strofen. In de eerste komt de hele zingevende santenkraam van de jaren zeventig en tachtig voorbij. Ouwens begint met een plaatsbepaling: nergens. Daarna volgt onmiddellijk een tijdsbepaling: in de eeuwigheid niet maar in de jaartelling evenmin. Nergens en nooit was er enige zin te vinden. Als hij daarna specifieker wordt, moet als eerste de erotiek het ontgelden: ’Venus laden’.”
Dat beeld begrijp ik niet.
„Terwijl het juist zo mooi is! Het verwijst naar het beeld ’Venus van Milo met laden’ dat Salvador Dali samen met Marcel Duchamp maakte. Dali ontwierp daarvoor laden die op drie niveaus zijn ingebouwd in een romp. Dit geheel volgens het boekje van Freud die het bewustzijn verdeelde in het Es, het Ich, en het Über-ich. Het Es, het onbewuste, laat het meeste van zich horen in de droom; het Über-ich, het hoogste ik, corrigeert onacceptabele erotische wensen. Ouwens heeft de laden opengetrokken, en ze leeg bevonden. Hij deelt het geloof van Dali in Freud niet. We zullen straks zien waarom.
Ook kent hij niet de ’zoete slaap’ van Homerus of de verlichtende droom uit de Bijbel. Met het zelfbewustzijn duidt Ouwens op de westerse filosofie, die een filosofie van het autonome subject is, en bij Schopenhauer zelfs uitmondt in de gedachte dat de hele wereld niets meer is dan mijn voorstelling. Bij de ’zelfopstanding’ kun je denken aan bijvoorbeeld schreeuwtherapie, als een vorm van rebirthing. Maar ook daar is geen heil te vinden. Net zomin als in het tegendeel: de zelfdoding, waarmee hij, denk ik, niet naar zelfmoord verwijst maar naar het idee dat het ego ’gekraakt’ moet worden. ’Onthechting’ is een manier om onkwetsbaar te worden. In de filosofie leidt die term ons naar de oude Romeinse stroming van de Stoa, die meende dat je alles wat jou overkomt moet zien als product van de eigen wil. Deze vorm van zelfbescherming werkte bij Ouwens kennelijk ook niet. Net zomin als ’het niets zelf’, dat verwijst naar Schopenhauers gedachte dat de wereld slechts schijn is. Maar ook het monter activisme, dat de dag op de been wil helpen, het geloof in de maakbaarheid van de samenleving, biedt geen uitkomst. En dan mondt het rijtje uit in de truc van de progressieve theoloog, die meent dat je een verbod niet letterlijk moet lezen maar cultisch. Er wordt een heel tijdsbeeld opgeroepen en je ziet hoe trefzeker.”
En de tweede strofe?
„Daarin gaat het meer over het christendom en de religie in het algemeen; de persoonlijke God, of de vele goden van het polytheïsme die, naar een bekend woord van Max Weber, in de moderne tijd weer zijn opgestaan. Of, derde mogelijkheid, het onbestemde, het Iets. Niet minister Plaskerk heeft het ietsisme uitgevonden, maar de dichter Ouwens.
Verder figureren hier de Vader, de dader en de moederfiguur, de duldende, die in het katholicisme zo belangrijk is. In één adem noemt hij nu ook de daarbij behorende seksuele moraal met ’hun voortplanting waarheen ook’.”
En de ’voorlanden daaruit volgend’?
„Ik lees dat als ouwensiaanse ironie. Je voorland is je toekomst. Maar als de zin van de seksualiteit in de voortplanting ligt ’waarheen ook’ dan is de zin iets wat ’volgt’. We zijn weer terug bij de Natuur ’wie zij ook is’ – wat filosofisch betekent dat we terug zijn bij Aristoteles, voor wie de natuur een ingebouwd doel heeft.”
Moeten we al die zingevingssystemen dan maar ’afdanken’?
„Ja, voor zover ze in het teken staan van theïsme, ietsisme of van de Natuur. In al die gevallen leidt de zingeving tot vermanning, tot jezelf en de ander hard aanpakken. Kortom tot verharding, ’tot in de verstening’.”
In dat alles is dus geen troost te vinden.
„Nee, maar dan komt de omkering: toch is er het stralende licht van de Scheldemond. Ik had een keer een gesprek met Ouwens over dit licht. Ik ben opgegroeid in Zuid-Beijerland, waar je vanaf de Hitserse Kade aan het Haringvliet links van het eiland Tiengemeten een prachtig uitzicht hebt over de onafzienbare watermassa naar Willemstad, heel in de verte in Brabant. Naar mijn idee was dit uitzicht onovertroffen. Maar Ouwens meende dat het licht op de rede van Vlissingen nog mooier, nog lieflijker was. Hij had gelijk. In 2007 heb ik een fietstocht gemaakt van Terneuzen richting Breskens. Je kunt daar fietsen aan de zeekant van de dijk – de mooiste en meest Hollandse fietstocht van Nederland. Ik ging dat zien vanuit het gedicht van Ouwens. Dus niet het zien van ’het geziene uit’ maar zien van het gezegde uit, van het gedicht uit. De mens is een kijkdier én een taaldier.”
Ondanks de schier eindeloze opsomming van de eerste twee strofen biedt dat schitterend gebroken licht redding?
„Ja, dat schitterend brekende licht is de verlossing. Maar de vraag is wel hoe lang die verlossing duurt. Of wanneer die verlossing er is – ’toch, of altijd, vaker soms, is er de scheldemond’”
Dit lijkt een aflopende reeks.
„Als Ouwens alleen ’toch’ had geschreven, had hij van dat brekende licht een tegenhanger gemaakt van alles wat in de eerste strofen op een teleurstelling is uitgelopen. En als die tegenhanger er altijd zou zijn, zou hij absoluut zijn, zou hij de Natuur zijn, en dus een van de afgoden waarmee zojuist is afgerekend. De verlichting is er niet per definitie, niet altijd. Het is een onvoorziene gebeurtenis die soms plaatsvindt, of vaker dan soms. ’en van een lieflijkheid die wij niet bereiken kunnen.’”
Deze zin keert letterlijk in het tweede gedicht terug.
„Niet helemaal letterlijk. In de tweede versie – die ik hier naar de beginregel ’Betreft het breskens’ noem – is er na ’van’ een enjambement. Dat vergroot de verrassing. Een negatieve verrassing in dit geval: het niet kunnen bereiken van de lieflijkheid. Eenzelfde effect heeft het weglaten van de spatie na ’lieflijkheid’. Dat niet bereiken is vanzelfsprekender geworden. Bovendien is deze zin nu een deel van de vorige strofe die op zichzelf al een negatieve inhoud heeft. Het verlossende licht uit ’Voorproef’ kan de ik-figuur uit het tweede gedicht niet aanzien, zoals in de laatste strofe staat: ’toen ik het niet aan kon zien/ dat gene er schitterde op de rede’.”
Waarom niet?
„Ja, waarom niet? Dat is de kernvraag bij deze revisie. Misschien komen we verder door de vraag anders te formuleren: wat gebeurt er in het herschrijven van ’Voorproef’?
In het algemeen kun je zeggen dat het werk van Ouwens gaat over de relatie van het ik tot het geheel van de werkelijkheid, het Al of het Andere, het onbepaalde. Daarbinnen kun je twee relaties onderscheiden: die tot het Andere als natuur, de Dingen, het landschap, en de relatie tot het Andere als dé Ander, het Andere in de gestalte van de medemens, in de eerste plaats de ouders en dan de geliefde. Volgens mij gaat het in dit gedicht om de vraag welke relatie hier domineert en, nader, om een verschuiving van de eerste naar de tweede, van de Natuur naar de Ander.
Wat opvalt is dat ’breskens’ hier helemaal aan het begin genoemd wordt terwijl het in ’Voorproef’ pas aan het eind verschijnt. Breskens en het licht omlijsten nu het hele gedicht. Het lijkt alsof de dichter zich geheel wil concentreren op de ervaring die aan het eind van het vorige gedicht beschreven werd.
Waar gaat het om in het hachelijke bestaan, waarin de mens ’zichzelf een vraag is’ zoals de existentiefilosofie het formuleerde? Gaat het om hét Andere, de Natuur zich manifesterend in Breskens? Of om dé Ander? In ’Voorproef’ is dat duidelijk het eerste. Het gaat niet om de zingevende santenkraam maar om de troost van het schitterend licht.
Al in de opening van het titelloze gedicht zet Ouwens letterlijk een vraagteken bij Breskens als plaats des heils. De hele opsomming van de zingevende santenkraam is verdwenen. Het begint met een vraag. De tweede regel geeft het antwoord: ’dan in der minne’. De vraag en het antwoord lijken zoiets te betekenen als: goed, laat het gedicht dan over Breskens gaan, maar dan wel onder voorwaarde dat het over Breskens in der minne gaat.”
Zoals ’in der minne schikken’.
„Ja, Ouwens heeft een voorliefde voor archaïsche begrippen. Ik vermoed – maar uiteraard met enige voorkennis van het vervolg – dat de dichter hier bedoelt: het gedicht mag dan over Breskens gaan, maar het thema van de min(ne) moet van meet af meetellen. Dat kan betekenen: de relatie tot de natuur is ondergeschikt aan de relatie tot de medemens. In het boek ’En gene schitterde op de rede’ staat een zeer lang interview met de dichter waarin hij zegt: ’Aan zee trof ik niet ’de wereld van anderen’ aan maar ’de wereld van elders’.’ In ’Voorproef’ is ’de wereld van elders’ de oplossing, de verlossing – zij het soms. Maar hier is Breskens onderdeel van het probleem.”
Welk probleem?
„De persoonlijke relatie waaraan de natuurervaring ondergeschikt is. In twee opzichten zijn op dit punt de laden van Freud leeg bevonden. Het gaat in die relatie niet zozeer om seksualiteit als wel om hechting. En verder staat niet meer het oedipuscomplex centraal, de problemen van de zoon met zijn vader. Na Freud zijn psychologen ervan overtuigd geraakt dat relatieproblemen al veel vroeger hun beslag krijgen. De confrontatie met de Ander is voor een kind primair een confrontatie met de moeder en dat is voor een jongetje problematischer dan voor een meisje. Beiden moeten een ontwikkeling doormaken van totale afhankelijkheid naar zelfstandigheid, maar bij een jongetje komt er bij dat hij iemand van de andere sekse is.
In het boek ’En gene schitterde op de rede’ staan ook fragmenten uit Ouwens’ manuscripten afgedrukt.
Het zijn eerste versies, kladjes, die later uitgroeiden tot gedichten. Ik was blij verrast dat daar ook ’Betreft het breskens’ bij was. Met een loep heb ik dat handschrift zitten bestuderen, ineens voelde ik me weer de filoloog waartoe ik ooit ben opgeleid. Na de openingsregel staat daar: ’kan het, een man zijn?’ Deze regel heeft Ouwens later geschrapt. Misschien verwoordde hij de relatieproblemen tussen moeders en zonen te duidelijk.”
In de uiteindelijke versie is ’kan het’ wél gehandhaafd: ’kan het, de zee een arm zijn’.
„Daarom is het zo interessant het manuscript erbij te pakken. De zinnen ’kan het, een man zijn’, en ’kan het, de zee een arm zijn’ hebben met elkaar te maken, de tweede zin is ontstaan uit de eerste. De zeearmen komen vaker voor in Ouwens’ werk, dat zijn de Zeeuwse en Zuid-Hollandse wateren. Hij heeft het ook wel over ’de reis naar de zeearmen’, waarmee hij zijn vertrek uit het ouderlijk huis in de bossen van Zeist beschrijft.
Volgens de moderne psychologie is de problematiek van de eerste kindertijd die van identificatie en scheiding, of van het wankelen tussen die twee uitersten. De totale eenwording waarnaar het kind verlangt als naar een verloren paradijs, boezemt ook grote angst in. De geliefde moet iemand blijven ’die we niet bereiken kunnen’. Deze gedachte kom je ook tegen bij Sartre, door Ouwens zeer bewonderd. In zijn hoofdwerk ’Het zijn en het niets’ schrijft Sartre dat het in menselijke relaties altijd gaat om overheersen of overheerst worden. Een volwassen relatie, waarin ook in der minne geschikt wordt, lijkt niet te kunnen bestaan.
Die hechtingsproblematiek beheerst de tweede strofe. Een zeearm is daar een prachtig beeld voor. Wat is een zeearm? Is het iets zelfstandigs? Een arm zonder lichaam is niets. Kan een zeearm zonder zee bestaan? Een rivier heeft nog een eigen identiteit, met een bron en een vaste stroomrichting. De zeearm lijkt niets dan het uit- en terugvloeien van het vruchtwater van de moederzee. Hoe kan een zeearm zich ooit losmaken? En toch moet dat. Kan het een man zijn, kan het de zee een arm zijn? Ik lees de tweede strofe in zijn herhaling en variatie als een prangende existentiële vraag.”
In de derde strofe zegt de ik-figuur: ’als je jouw wemeling niet toelicht,/ zie ik mij voor jou aan.’
„Naar mijn idee duidt wemeling hier op de schittering van het licht op de zee. De zon en de zee springen bliksemend open, zoals in het gedicht ’Paradise regained’ van Marsman. Niet alleen de oermoeder zee, maar alle elementen waarin we baden kunnen die omvattende betekenis krijgen. Door de moeder te verbeelden als zee of als het samenspel van licht en zee is Ouwens in staat een taal te vinden voor het moeder-zoonconflict. En taal is voor Ouwens essentieel. Taal, namen geven, is afstand nemen van de dingen, is de blinde fascinatie doorbreken.
En hier duikt dan het typische Ouwenswoord ’sprakeloosstelling’ op. In het manuscript komt dit woord vier keer voor, maar in de uiteindelijke versie heeft het het niet gehaald, althans niet in dit gedicht. Ik lees dat woord zo: zoals een schadeloosstelling de schade wegneemt, zo neemt de sprakeloosstelling de sprake weg.”
Maar dan wordt taal op een lijn gesteld met schade.
„Dat is de reden, vermoed ik, waarom hij de term niet aangedurfd heeft. En toch past hij heel goed in zijn taalveld. Een overweldigende macht kan ons sprakeloos doen staan. En heimelijk verlangen we daarnaar. Een mystieke dichter als P.C. Boutens ziet de taal als een belemmering van de eenwording. ’Sprakeloosstelling’ is dus een prachtig woord om die ambivalentie weer te geven. Maar Ouwens is in wezen geen mystiek dichter. De taal is te belangrijk voor hem. Daarom smeken de strofen 3 en 4 om toelichting, en ’wenk’, dat is contact. Als het in de interpersoonlijke relatie niet lukt afstand te nemen, dan ’zie ik mij voor jou aan’. Ofwel dan lukt het mij niet een eigen persoonlijkheid te worden. Dan blijft er een relatie die het ik verstikt, of ’kraakt’.”
De ik-figuur vecht voor zijn identiteit?
„Het is wederzijds. Dat blijkt uit de volgende strofe: ’andersom is er lichtval, geen wenk/ wat houd je buiten mijn gading?’ Met andere woorden: als ik mij voor jou aanzie, zie jij, andersom, jou voor mij aan. ’Andersom’ duidt op de keerzijde van de identificatie. De zee ziet in mij geen ander, geen tegenover maar slechts een uitloper van zichzelf. Strofe 3 en 4 komen op hetzelfde neer: identificatie betekent geen zelfstandigheid, geen vrijheid en dus geen liefde. Geen ’gading’. Liefde veronderstelt een eigenstandigheid van het ik, niet een arm die de wil uitvoert van het omvattende lichaam.”
Vergeleken met ’Voorproef’ is dit wel een verdiepte problematiek.
„Vandaar ook de pessimistische toon in de laatste regels. Maar is het ook een beter gedicht?”
U twijfelt nog steeds.
„Ja. Deze interpretatie, waarvan ik het idee heb dat hij stáát, kon alleen tot stand komen dankzij ’Voorproef’. Naar mijn idee is ’Betreft het breskens’ onafhankelijk daarvan nauwelijks te vatten. Verder had ik voor de interpretatie ook een vroeger manuscript nodig. En dan heb ik alleen nog maar het midden en het einde besproken.
Hoe moeilijk Ouwens het de lezer maakt, blijkt bijvoorbeeld uit de eerste zin van strofe 5 die eindigt met een punt, zonder enige aanduiding van waar het hier over gaat. Agrammaticaliteit heeft ook een grens. Het door enjambement toch al afbrokkelende gedicht heeft 15 komma’s die het nog meer aan stukken hakken. En nog vijf vraagtekens.”
Was zijn poëzie trouwens helderder als hij het voordroeg?
„Nee. Ik heb nooit iemand zozeer de eigen tekst horen vermoorden als Kees Ouwens.”
U klinkt ontstemd. U bent toch niet moe van het gepuzzel?
„Nee, ik vind het puzzelen leuk en zinvol. Neem de tweede strofe over de zeearmen. Aanvankelijk dacht dat ik bij ’arm aan zee zijn’ aan een land als Zwitserland. Ik snapte er niets van. Nu vind ik het een heel mooie strofe. Ik heb wel eens de prachtige uitspraak aangehaald van T. S. Eliot: It communicates before it’s understood. Daar moet ik aan toevoegen dat het omgekeerde ook het geval is. Voor het begrijpen heb je gegevens nodig.”
De Breskenservaring is nu in der minne gesteld, maar wat schieten we daarmee op?
„Prachtig vind ik in ’Voorproef’ de lange tirade. Het is de mooiste opsomming van alle gekkigheid uit de jaren zeventig en tachtig die ik ken. Eerlijk gezegd vind ik dat Ouwens het gedicht bij de herschrijving op slot gegooid heeft. Hij heeft het versleuteld en de sleutel weggestopt.
Je kunt hier tegenoverstellen dat de tweede versie van rijper inzicht getuigt. De natuurbeleving blijkt problematischer dan ze in ’Voorproef’ al was. De werkelijkheid van de liefde relativeert haar en is zelf ook gecompliceerd. Maar het is de vraag of dit een goed uitgangspunt is bij het maken en beoordelen van poëzie. We moeten dit gedicht als gedicht beoordelen en niet op een of ander psychologisch inzicht of besef van tragiek. Het gaat om hoe het gezegd wordt, om de vorm. Of, met een term van Nijhoff, om de ’inhoud van de vorm’. Daarbij kunnen allerlei dingen gebeuren die een gedicht ’moeilijk’, maar ook interessant maken, een raadselachtig proces. En er kan ook iets misgaan. Kennelijk zijn er grenzen aan de verstaanbaarheid. Al met al vind ik de latere versie vooralsnog niet opwegen tegen ’Voorproef’, hoeveel knappe formuleringen en vondsten er ook inzitten.
Als deze voorproef een grap is, is het een tragische grap.
Rutger Kopland heeft eens gezegd dat poëzie precieze meerduidigheid is. Bij Ouwens is het duistere meerduidigheid geworden. Ik zou willen dat er in zijn nalatenschap voorproeven van andere hermetische gedichten gevonden werden. Dat zijn vermoedelijk hoogtepunten uit zijn poëzie.
We moeten er rekening mee houden dat de dichter uit zijn compromisloos roepingsbesef een aantal van zijn gedichten zelf geruïneerd heeft.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.