Als God oppermachtig is, waarom dan toch zoveel ellende op de wereld? Steven Nadler beschrijft in zijn uitstekende boek hoe filosofen in de zeventiende eeuw deze vraag beantwoordden
Eerst even een lastige vraag: kan God een steen maken die Hij niet kan optillen? Die vraag heeft betrekking op de almacht Gods, één van Zijn eigenschappen. Behalve almachtig is God ook nog alwetend en de opperste goedheid zelve. En als je dat bij elkaar optelt dan krijg je pas echt een lastige vraag: als God het allemaal zo goed weet, zo goed kan, en het zo goed met ons voorheeft, waarom is het hier dan zo’n ellende? Waar komt dan het kwaad in de wereld vandaan?
Als God inderdaad beschikt over de eigenschappen die men Hem toekent, dan draagt Hij een zware verantwoordelijkheid. Denk maar aan al die oorlogen, natuurrampen en misdaden. Misschien moest Hij maar eens in Den Haag voor het Internationaal Strafhof worden gedaagd, wegens misdrijven begaan tegen de menselijkheid.
In 1710 schreef de Duitse filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) zijn beroemd geworden ’Theodizee’ juist om God te verdedigen tegen een dergelijke aanklacht, die toentertijd natuurlijk eerder filosofisch en theologisch dan juridisch werd geformuleerd. Het begrip ’theodicee’, dat Leibniz introduceerde, leidde hij af van de Griekse woorden ’theos’ en ’diké’ die God en rechtvaardigheid betekenen. Het ging Leibniz dus om de rechtvaardiging Gods in het aanzien van het kwaad in de wereld.
En hoe dit pleidooi van Leibniz eruit ziet? De aanklagers zijn volgens hem allemaal kortzichtig en bijziend: kortzichtig omdat ze niet inzien dat een tegenwoordig kwaad in een toekomstig goed kan komen te verkeren en bijziend omdat ze te dicht op hun eigen ellende zitten en niet begrijpen welke plaats die inneemt in het grotere geheel. Alles heeft zijn reden, ook als onze beperkte verstand dat niet begrijpt. Zonder dissonanten geen welklinkende muziek en zonder duister geen lichtval op het schilderij dat in clair-obscur onze werkelijkheid verbeeldt. Het kwaad resulteert bovendien uit de vrije wil van de mens die zonder die vrije wil een minder volmaakt wezen zou zijn dan God hem had kunnen scheppen.
We leven, zegt Leibniz, in niets meer of minder dan ’de beste van alle mogelijke werelden’. Dat verklaart de titel van Nadlers jongste boek. Eerder schreef Nadler onder andere. een veelgeprezen boek over Spinoza en ook met dit boek is hij trouw gebleven aan de zeventiende eeuw.
Hij merkt zeer terecht op dat ze in die eeuw een andere opvatting hadden van volmaaktheid dan wij nu. Leibniz zag perfectie in de volledigheid van de schepping: God heeft met wijsheid zoveel mogelijk verscheidenheid geschapen in de natuur waarin een zo groot mogelijk aantal soorten zo optimaal mogelijk op elkaar aansluiten en deze wereld tot het hoogst haalbare maken. Daar horen nu eenmaal ook moerassen en muskieten bij.
En ja, dat u in deze wereld geen kwaad overkomt is iets wat God op zichzelf ook wel wil, maar wat er wel eens bij inschiet omdat God al die bijzondere, vaak met elkaar concurrerende belangen, moet verenigen in een uitgewogen geheel dat in zijn totaliteit echter een optimum is. Ongeveer zoals Voltaire later, maar dan spottend, zou vertellen over een non die dacht dat ze er met negen weesgegroetjes voor had gezorgd dat haar geliefde, een monnik, werd genezen. Dat kan toch echt niet, want de Voorzienigheid heeft meer aan Zijn hoofd: Hij moet de koers van miljoenen en miljoenen planeten, sterren en kometen in de gaten houden, schrijft Voltaire. Zijn onveranderlijke natuurwetten laten alles bewegen en alles is met Zijn troon verbonden door een eindeloze keten. Als enkele weesgegroetjes een monnik langer zouden laten leven dan bedoeld, dan zou de orde van het universum worden verstoord en alles in elkaar storten.
Meestal richtte Voltaire zijn pijlen op Leibniz, maar misschien heeft hij bij dit verhaal eerder gedacht aan Nicolas Malebranche (1638-1715). Deze Franse filosoof dacht dat Gods wijsheid hierin bestond dat Hij met een minimaal aantal zeer algemene natuurwetten het maximale scheppingsresultaat heeft bereikt. Eenvoud siert de mens, zegt men wel, en volgens Malebranche dus ook God. Zijn wereld is niet de beste in absolute maar wel in relatieve zin: in relatie tot het minst mogelijk aantal natuurwetten dat voor de schepping nodig was. Er is dan ook zoveel mogelijk rechtvaardigheid en goedheid als binnen die beperking mogelijk is.
En ja, in Malebranche’s wereld valt er vruchtbare regen op de rotsen en vallen er soms ook rotsen op mensen, want regens en rotsen volgen algemene natuurwetmatigheden. Ook bij Malebranche schiet uw persoonlijke geluk er dus wel eens bij in. Maar alles bijeengenomen schittert God in en door deze natuurlijke orde die de belichaming is van Zijn wijsheid.
Er is nog een derde denker die bij Nadler uit de plooien van de zeventiende eeuw naar voren treedt: de tegenwoordig minder bekende Franse theoloog Antoine Arnauld (1612-1694). Die keek heel anders tegen de wereld aan dan Leibniz en Malebranche. Die laatste twee legden de nadruk op de wijsheid van God in Zijn schepping waarvan wij iets kunnen begrijpen met ons beperkte verstand; typisch een rationalistische benadering. Arnauld vond dat aanmatigend. Bovendien wordt God bij Leibniz en Malebranche beperkt door wat er binnen natuurwetmatigheden en rationele structuur mogelijk is. Arnauld legde niet de nadruk op de wijsheid maar op de almacht van God. Alles wat God wil, gebeurt ook; en of wij daarvan de zin begrijpen of niet, is helemaal niet belangrijk.
Het duurt een tijdje voordat Nadler op dreef komt in dit boek, omdat hij een flinke aanloop neemt waarin hij Leibniz laat rondwandelen in Parijs die daar Arnauld en Malebranche zal ontmoeten. Ook zet Nadler eerst enkele hoofdlijnen van de zeventiende-eeuwse filosofie uiteen en bespreekt hij problemen met betrekking tot de goddelijke genade, die soms een zondaar redt van de hel terwijl een rechtvaardige ongelukkig wordt.
Maar als hij belandt bij de verschillende benaderingen van het kwaad door Leibniz, Malebranche en Arnauld, is Nadler op zijn best. Dan ontplooit hij zijn intellectuele kracht om soms lastige vraagstukken en ingewikkelde wendingen zo duidelijk mogelijk te verwoorden. Nog best wel inspannend dus, maar absoluut een goed boek over het kwaad.
Oh ja, hoe het nu zit met die lastige vraag of God een steen kan maken die Hij niet kan optillen? Ach, een eitje: volgens Malebranche en Leibniz kan God dat niet omdat zo’n steen in strijd zou zijn met de wetten van de rede die ook God binden. En volgens Arnauld kan God alles, ook dat wat wij niet kunnen begrijpen.
Zo, weer een probleem minder.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.