In dit zeventiende gesprek over poëzie en filosofie duikt de Amsterdamse filosoof Theo de Boer de diepzee in met de potvis van de Australische dichter Les Murray. „De potvis is niet een lieflijke dichter maar een schielijke oplichter. Ik kan me de wrok wel indenken van kapitein Achab jegens Moby Dick die hem zijn been heeft afgehapt.”
’Hij is ontegenzeggelijk de grootste aardbolbewoner, de geduchtste van alle walvissen als tegenstander, de meest majestueuze om te zien, en, ten slotte, verreweg de waardevolste in de handel, omdat hij het enige schepsel is waaruit die waardevolle substantie spermaceti, of walschot, wordt gewonnen.”
Zo begint de omschrijving van de potvis door kapitein Achab, de verbitterde hoofdpersoon van Herman Melville’s meesterwerk ’Moby Dick’. Hij doet dit in het nogal encyclopedische hoofdstuk ’Walviskunde’. Achab gaat uitvoerig in op de naam die deze walvis heeft: Sperm Whale. Die naam, legt hij uit, berust op een vergissing omdat mensen vroeger dachten dat deze walschot, ook wel witte amber geheten, het ’levenverwekkende vocht’ van de Groenlandse walvis was.
In ’Spermaceti’ verplaatst de hedendaagse Australische dichter Les Murray (1938) zich in de potvis. Hij schreef het gedicht zo’n anderhalve eeuw na ’Moby Dick’. En nog steeds staat wetenschappelijk niet vast waarom de potvis zo’n grote hoeveelheid walschot in zijn kop heeft. Het zou een rol kunnen vervullen bij het duiken en wellicht bij de jacht; het zou kunnen functioneren als stormram, en het zou een akoestische functie kunnen hebben, als een geluidsbron of als een soort sonar.
Theo de Boer: „Het is vooral deze laatste functie die Murray in dit gedicht uitbuit, en waardoor hij van de potvis de dichter onder de vissen maakt.”
De Amsterdamse filosoof leerde Les Murray kennen op Poetry International in 1977. „Zijn retorische poëzie vond ik interessant, paste ook goed bij zijn barokke manier van voordragen. Maar pas toen ik een aantal jaren later zijn vertaler Maarten Elzinga dit gedicht hoorde toelichten, besefte ik dat hij een groot dichter is, van wie ik nog altijd hoop dat hij ooit de Nobelprijs wint.”
Waarom is dit een gedicht van een groot dichter?
„Dit is de moeilijkste vraag die je me kunt stellen. Groot is een gedicht als het om grote gevoelens gaat en een groot onderwerp. Maar wat zeg ik daarmee? Misschien kan ik het iets verduidelijken vanuit mijn eigen vak.
Filosofie kun je definiëren als de discipline die zich bezighoudt met het onderzoek naar het zijn. De klassieke filosofie probeert de vraag naar het zijn te beantwoorden met behulp van de rede, de ratio. Als die de maat is, zal elk poëtisch antwoord op de vraag naar het zijn veroordeeld worden, want poëzie is een product van de verbeelding. Filosofie en poëzie zijn daarom eeuwenlang met elkaar in conflict geweest.
In de postklassieke filosofie zijn de twee rivalen naar elkaar toegegroeid. Naar mijn idee staan ze nu naast elkaar als verschillende manieren om de werkelijkheid te ontsluiten. De eerste door analyse, de tweede door evocatie. ’De potvis’ is een uitmuntend voorbeeld van die evocatie.”
Met evocatie bedoelt u dat Murray een nieuwe werkelijkheid weet op te roepen?
„Ja, tenzij je onder een nieuwe werkelijkheid een andere, tweede werkelijkheid verstaat. Dan is mijn antwoord: nee. Poëzie en filosofie gaan over dezelfde wereld. Het verschil tussen de klassieke en de postklassieke filosofie is dat de laatste de vraag naar het zijn anders stelt. Niet in abstracto, maar altijd binnen een context. In plaats van: er bestaan atomen, zal men zeggen: de atoomhypothese wordt bevestigd. Dit geldt voor alle betekenissen die het woord ’zijn’ heeft, ook als het om het bestaan van God gaat. Je kunt daar niet over praten buiten de religie of het geloof om.
Laat ik een voorbeeld geven. Wie heeft als kind zijn ouders niet gewezen op een stok in het water en gezegd: ’Kijk, hij is gebroken.’ Een klassiek gevormde vader zal het kind corrigeren en zeggen: ’Hij lijkt gebroken. De gebroken stok is een zinsbegoocheling. Voor het denken is die stok recht.’”
U gaat mij niet vertellen dat die stok niet recht is.
„Nee, maar ik zeg wel dat de uitleg van de vader misleidend is. De ondergedompelde helft van de stok verschijnt zoals hij is, en wel in een medium met een andere brekingsindex dan lucht. Er is maar één werkelijkheid die ons in een gevarieerde ervaring onthuld wordt. Dit inzicht verandert de relatie van filosofie en poëzie. Beide hebben betrekking op de ene wereld, maar zij gebruiken een verschillende manier om die te ontsluiten.
De klassieke filosofie ging ervan uit dat de werkelijkheid met de rede te doorgronden was. Binnen deze manier van denken is het onontkoombaar de wereld van de poëzie als schijnwereld te zien. Als schone schijn weliswaar, maar schijn.
In de moderne tijd heeft de empirische wetenschap lange tijd het alleenrecht geclaimd op de juiste visie op de werkelijkheid. Opnieuw ontstond er een dominant wereldbeeld waarin de poëzie een marginale rol is toebedeeld. Wat mij fascineert in dit gedicht is dat het laat zien hoe zulke wereldbeelden functioneren. Ook die potvis heeft namelijk het probleem van twee werkelijkheden.”
Intussen weet ik nog steeds niet waarom dit een groot gedicht is.
„Het is ook een onmogelijke vraag! Als docent had ik de gewoonte aan het eind van een werkcollege een gedicht voor te lezen. Op een keer komt een student naar me toe en zegt: ’Ik vind het een goed idee dat u af en toe een gedicht bespreekt, maar waarom nou zo’n bizar gedicht als dit?’ Ik stond met mijn mond vol tanden. Diezelfde dag kwam ik bij toeval de dichter Wiel Kusters tegen. Ik vroeg hem: ’Wat moet je daar nu op antwoorden?’ Hij keek me een moment peinzend aan en zei toen: ’Als je het gedicht goed hebt uitgelegd, heb je ook uitgelegd waarom het een goed gedicht is.’ Ik vraag dus even uitstel.
Gelijk bij de eerste zin is het verschil met Moby Dick duidelijk: Murray probeert ons de werkelijkheid te laten zien door de ogen van de potvis. Nee, juist niet door de ogen van de potvis, maar vanuit de andere manier waarop hij de werkelijkheid waarneemt: de potvis oriënteert zich ook met een soort radar, hij weet waar hij is dankzij de geluiden die hij uitstoot. In een prachtige allitererende zin – I sound my sight – laat Murray zien en horen hoe anders de potvis de werkelijkheid waarneemt dan wij dat doen. Hij sondeert zijn zicht. I sound kun je ook vertalen met ’Ik verklank’. Dat is precies wat de dichter doet. In het gedicht helpen rijm en ritme, assonantie en melodie mee in het tot stand brengen van betekenis.
Wie met sonar waarneemt, ziet niet de huid van een mens of een vis, maar zijn botten. Dat doet de potvis ook: ’and flexing skeletons eddy/ in our common wall’ – hij ziet soepele, skeletten kolken in hun gezamenlijke wand.”
Die wand is de zee.
„Voor vissen is de zee wat lucht is voor de mens: het element waarin ze leven. Er is niets anders dan water wat hen van elkaar scheidt. Het opmerkelijke van die wand is, zoals de potvis in regel negen zegt, dat hij een voortdurende ingang heeft. De vis neemt de deur mee als het ware; deur en wand vallen voor hem samen.
Die wand heeft ook een pompende rand, de met eb en vloed rijzende en dalende branding. Voorbij die rand is er voor de seinende potvis alleen nog verstarde lucht: de kusten.”
Nu vliegt u door het gedicht heen.
„Terug naar het begin dan maar. Daar gebruikt Murray ook een van de andere mogelijke verklaringen van de spermaceti: dat hij behulpzaam is bij het verzamelen van voedsel. Met een echoflits barst de potvis een paar van die levens open, die hij daarna in zijn muil laat spoelen. We moeten ons de potvis niet te idyllisch voorstellen. Hij kan met zijn seinen blijkbaar ook zijn medevissen betoveren, verdoven. Hij is, om met Lucebert te spreken, niet een lieflijke dichter maar een schielijke oplichter. Ik kan me de wrok wel indenken van kapitein Achab jegens Moby Dick die hem zijn been heeft afgehapt.
Nadat hij gegeten en ademgehaald heeft, volgt een van de mooiste zinnen van het gedicht: ’and laze below again’ – prachtig vertaald met: ’en luier weer omlaag’. Maarten Elzinga is erin geslaagd de lome l-klank te handhaven, waardoor je de potvis echt lui en voldaan ziet afzakken naar de diepte van de oceaan.”
Waar hij in lange, diepe klanken over de ’curve van Hard’ tuurt.
„Dat is de aanduiding voor de zeebodem, het element aarde. In tegenstelling tot de wand van water, die opengaat zodra de vis erin zwemt, is de bodem hard en niet zonder gevaar, zoals verderop in het gedicht blijkt als de potvis zegt dat de kracht van ’onze wand’ hem beschermt tegen de life-powdering compaction, tegen de levenplettende verdichting van de rots Hard.”
Direct daarop komt de potvis weer terug op het verschil in waarneming tussen de mens en vis: ’Eyesight is a leakage’.
„Lekken is duidelijk een negatief geladen woord: oog-zicht stelt niet veel meer voor dan het naar binnen lekken van wat dichtbij is. Het enige positieve ervan, zo zegt de potvis, is dat oog-zicht de smaak toont van voedsel. De seinen brengen alleen botten in beeld; oog-zicht ook het smakelijke vlees rondom de graten en botten.
Hier laat de potvis zich weer even van zijn zintuiglijke kant zien. Hij zingt niet alleen, er wordt ook gevreten. Maar de rest van het gedicht maakt wel duidelijk dat de potvis zowel onze manier van waarnemen, het oog-zicht, als ons medium, de lucht, als minderwaardig beschouwt. En daarvoor heeft hij ook argumenten: hij zegt dat hij de lucht tot dwerg maakt – dwarfmaking – omdat in de lucht alles kleiner is dan in het water, en omdat true sight, het echte, of het ware zicht, nauwelijks functioneert.”
’Het ware zicht’ – dat klinkt nogal zwaarwichtig.
„Zeg maar rustig metafysisch. Hier moet ik terugkomen op het voorbeeld van de stok in het water. De mens, een luchtwezen, denkt dat alleen het medium lucht het ware zijn onthult. De potvis denkt precies andersom. Volgens hem openbaart het water de ware werkelijkheid. Oog-zicht is misleidend.
Ach, ik kan me zijn metafysisch vooroordeel op dit punt wel indenken. De oceaan is een planetair domein, bepaald geen hofvijver. We komen tenslotte allemaal uit het water. Bovendien heeft onze potvis ook een plausibel klinkend argument voor de superioriteit van de sonar. In water verplaatst het geluid zich sneller en verder. Filosofisch gezien is een dergelijke omkering niet sterk, maar ze is een vergeeflijke zwakte in de wijsgerige scholing van onze dichter die wel iets anders heeft wat hem uittilt boven de andere dieren, inclusief de redelijke: de witte amber in zijn kop van 26 voet, 5000 kilo volgens Van Dale.”
Komen we uit bij wat naar mijn idee de kernzin is van het gedicht: ’But our greater sight is uttered’.
„Ja, de potvis peilt niet alleen, hij spreekt ook, nu mede namens zijn medezangers. Hier ontvouwt hij wat ik aan het begin zijn ’wereldbeeld’ noemde. Er volgt nu een peroratie over dat weidsere zicht, een panorama dat je een zekere grandeur niet kunt ontzeggen. Het evoceert ’voorbij de curve van verte’ een nieuw universum; van de botten van de medezangers tot de onderaardse vulkanen, de elkaar kruisende stromen en het verzinken van een eiland. Eilanden verzinken niet alleen. In 1963 zagen enkele IJslandse vissers zo’n vulkanisch eiland opstormen. Ze geloofden hun ogen niet. Op de Amsterdamse Zuidas zijn er gigantische foto’s van te zien. Bij ons luchtwezens komt nu eindelijk iets binnenlekken van de zwarte zwaarte die de potvissen altijd al in zicht zongen.”
Maar hoe superieur ook zijn ware zicht, hij heeft ook te maken met stoorzenders.
„Ja, de song-scrambling ship’s heartbeats. Het zijn de schepen die met hun zwaar gestamp het lied van de potvis storen. Deze zin riep bij mij onmiddellijk een herinnering op aan de oorlog, toen de uitzendingen van Radio Oranje gestoord werden.
Ik lees deze regels ook als een impliciete cultuurkritiek op alles wat de poëzie in haar werking dwars zit. Bijvoorbeeld het kortetermijndenken, het geschetter in de media, terwijl gedichten juist vragen om sloom lezen van long low tones en een long shaped cry – kortom om luieren naar de diepte. Daartegenover staat dat de echo’s die de potvis opvangt hem stimuleren, ja helen. De kijk in de verte en in de diepte bewerkt een catharsis.”
Hier neemt uw pleidooi een pragmatische wending. Poëzie is goed voor je gezondheid, voor je happinez.
„Ik dwaal wat af door die stoorzenders. Maar het gaat mij nog steeds om de filosofie. Kijk, als poëzie puur bellen blazen was, zou storing geen zin hebben. Dat waait vanzelf weg. Maar filosofisch interessant is dat hier een wereldbeeld in het geding is. Wat de dichter onder de dieren doet, heet niet voor niets ’in zicht zingen’. Door het zingen ga je iets zien. De uitdrukking geeft precies weer wat de functie is van een groot gedicht. Het ontsluit een werkelijkheid en wel – dat is het postklassieke moment – binnen de horizon die door de dichters zelf is uitgespannen.”
Verandert daardoor de werkelijkheid?
„Als je de werkelijkheid anders ziet, verandert zij, want werkelijkheid bestaat niet buiten ons waarnemen om. Zo voegt het gedicht iets toe aan ons platte beeld van de natuur waarin de elementen waarin wij baden worden gezien als voorraden van energie en de potvis als leverancier van kaarsen en parfum. Vanaf de eerste zin gaat het dáár over. De grote vondst vind ik dat Murray het seinen laat ontspringen aan de geurige kamer in de kop van de vis.
Ik logeerde deze zomer in Weimar, de stad van Goethe. Vanuit mijn hotelraam had ik uitzicht op een blinde muur waarop een tekst uit ’Wahrheit und Dichtung’ was aangebracht: Das wirkliche Leben verliert oft dergestalt seinen Glanz, daß man es manchmal mit dem Firnis der Fiktion wieder auffrischen muß. Dat is precies de werking van grote poëzie. Zij herschept de wereld, ze sticht een centrum in zijn klinkende structuur.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.