„Het is een cruciaal probleem voor de mens, dat we ontsnappen aan ons eigen gezichtsveld”, schrijft filosoof Coen Simon. Onze blik op de wereld is altijd een gebrekkige. Daarom is harde wetenschap alleen nooit afdoende, zoals de eeuwige wedijver tussen Darwin en God laat zien.
LET OP: OP VERZOEK VAN COEN SIMON OP 15-07-2010 UIT ZIJN DOSSIER VERWIJDERD - DOOR HET OP DRAFT TE ZETTEN
Bas Haring begon het Darwinjaar in januari met een artikel in de Volkskrant dat de zeven grootste misverstanden over Darwin en de evolutietheorie moest rechtzetten. Het eerste misverstand vatte hij samen in de volgende vraag: „De evolutietheorie is toch maar een theorie?”
Een veelgehoorde misvatting volgens Haring. „Alsof theorieën ’slechts’ theorieën zijn: speculaties die wel eens onwaar zouden kunnen zijn. Nou is structurele twijfel een belangrijk uitgangspunt in de wetenschap, en iedere theorie zou wel eens onwaar kunnen zijn, maar er zijn theorieën die wel heel strak in het zadel zitten. En de evolutietheorie is er zo een.”
Je zou zeggen, dat na zo’n lange aanloop het argument wel rond zal zijn, maar het enige dat rond is aan de argumentatie van Haring is de nauwelijks verhulde cirkelredenering. Hij probeert de lezer wat zand in de ogen te strooien met zijn opmerking dat ’structurele twijfel’ natuurlijk ’uitgangspunt van de wetenschap’ is. Maar feitelijk zegt hij niet meer dan: de evolutietheorie is onbetwijfelbaar omdat ie onbetwijfelbaar is, neem dat nou maar van me aan.
Hoe harder hij wil ontzenuwen hoe zwakker zijn overtuigingkracht wordt. „De evolutietheorie is bijna even onbetwijfelbaar als de stelling van Pythagoras.” Maar ’bijna’ is natuurlijk een verschil van dag en nacht als het gaat over onbetwijfelbaarheden.
Dan de slotregel, in de retorica doorgaans de aanbevolen plek voor een punchline, maar Harings doodsteek aan het misverstand heeft de kracht van een zwaard van krantenpapier, hier komt ie: „Er zijn heus onduidelijkheden en onzekerheden. Maar de evolutietheorie zelf staat als een huis.”
Een simpele retorische systeemtest toont de wankele onbetwijfelbaarheid van Harings argument: vervang het onderwerp van de redenering, dus bijvoorbeeld in plaats van ’evolutietheorie’ lezen we ’hypotheekrenteaftrek’. Dan staat er: „Er zijn heus onduidelijkheden en onzekerheden. Maar de hypotheekrenteaftrek zelf staat als een huis’.
Ineens lijken wetenschap en politiek sterk op elkaar. En dat is geen verwijt aan Haring: wetenschap is net als politiek een strijd van het ene geloofwaardige verhaal tegenover het andere. Ter verdediging van Harings zwakke overtuigingskracht kan worden opgevoerd dat hij zelf geen wetenschapper is, maar wetenschap alleen maar uitlegt. Inderdaad, Haring is hoogleraar Publiek Begrip Van De Wetenschap te Leiden. Daar is al vaak lacherig over gedaan en misschien is Haring ook geen diepzinnig denker, maar de leerstoel zelf is wel zinnig. Het uitleggen van een wetenschappelijke theorie namelijk geen beleefdheidsfrase, een aardige geste voor de geïnteresseerde leek, het is een onlosmakelijk en noodzakelijk deel van de wetenschap. Want de waarheid, ook de wetenschappelijke waarheid is alleen waar zolang de diersoort mens hem voor waar houdt. En dus blijft iedere niet geopenbaarde waarheid even duister als de nacht.
Hoe kan het dat een zo overtuigende theorie als die van Darwin in onze tijd toch nog steeds niet iedereen overtuigt? Sterker nog, een recente enquête door het populair wetenschappelijk tijdschrift Quest laat zien dat maar liefst veertig procent van de mensen meent dat het genie van God een aannemelijker verklaring geeft voor het leven dan het genie van Darwin. Met zulke onderzoekjes worden we dit jaar doodgegooid. En we vragen ons massaal af hoe het toch kan dat de evolutietheorie voor de één het doorslaggevende bewijs is voor het niet-bestaan van God en voor de ander juist van het tegendeel? Het is de vraag waarom mensen voor een verhaal kiezen in plaats van voor wetenschappelijk bewijs. Maar deze vraag veronderstelt dat het bewijs het verhaal uitsluit, dat harde feiten als vanzelf afrekenen met fictie. Betekent dat dan ook dat de voortgang van de wetenschap uiteindelijk zou kunnen leiden tot een leven zonder zingeving? Als we immers weten hoe het bestaan in elkaar steekt dan hoeven we niet langer mythische verhaaltjes te vertellen.
Deze misvatting, ja, ik zal er zelf ook eens eentje ontzenuwen, leeft hardnekkig in onze tijd. Willen we iets zinnigs zeggen over de verhouding tussen zingeving en wetenschap en de functie van fictie in het leven van zowel de zinzoeker als van de wetenschapper, dan moeten we ons niet dieper ingraven in de biologie of de theologie. Nee, de antwoorden op de vragen over de verhouding tussen feit en fictie vinden we aan de oppervlakte van het leven. Dat dreigen we nogal eens te vergeten, dat een mensenleven leven principieel oppervlakkig is. Ik bedoel niet in de zin dat we in een decadente en oppervlakkige cultuur leven, maar dat wie het leven van een mens zinvol probeert te verklaren aan de oppervlakte moet zoeken, waar mensen elkaar treffen, waar ze het oneens zijn, waar ze bepaalde kennis nog niet hebben of waar bepaalde kennis al verloren is, waar ze oorlog voeren en waar ze lief hebben.
Hoe graag we ook fundamentele verklaringen in de diepte of in hemelse hoogte zoeken, we hebben feitelijk niets anders dan de oppervlakte. Die oppervlakte wordt gekenmerkt door een horizon in ruimte en tijd en door het gegeven dat waarheid een onlosmakelijk publiek element heeft. Waarheid moet altijd verdedigd en inzichtelijk gemaakt worden. En dat gebeurt noodzakelijk onder druk van de tijd, die we immers niet even stil kunnen zetten. Waarheid, we vergeten het nog wel eens, is in de eerste plaats een ervaring.
Dat lijkt misschien een onbenullige constatering, maar hierdoor zien we nu juist het belang ervan over het hoofd. En wie de oppervlakte veronachtzaamt kan in wetenschappelijke bewoordingen ongemerkt de grootste onzin beweren.
De constatering dat ons leven zich aan de oppervlakte afspeelt, mondt niet uit in de postmoderne vaststelling dat alles maar fictie is en dus alles mag en mogelijk is, nee, aan de oppervlakte van de menselijke handeling en ervaring zijn er objectieve en minder objectieve criteria aan te wijzen. Maar dan moet je je bewijzen wel ook aan de oppervlakte onttrekken en niet aan de duistere gene zijde van het geloof of de blijmoedige maar even ongewisse toekomstmuziek van de wetenschap.
Een illustratie hiervan deed zich voor tijdens een aflevering van Pauw & Witteman (20 november 2008). Aan tafel die-hard bioloog en retorisch talent Midas Dekkers en de betrekkelijk onbekende Johan Huibers, de man die op schaal de Ark van Noach heeft nagebouwd ter ondersteuning van een campagne die in de kwestie evolutie of schepping het voordeel van de twijfel aan de laatste wil geven. Het is haast een toneelstuk, zo flagrant zijn de tegenstellingen. Tandenknarsend zitten twee karikaturen tegenover elkaar: die van het harde geloof en die van de harde wetenschap. Allebei zijn ze overtuigd van hun gelijk en beiden doen hun best – al is het met openlijke tegenzin – hun gelijk voor het voetlicht te krijgen. Want aan je gelijk heb je niets als je geen gelijk krijgt. Dat vermoeden lijkt er wel te zijn, zowel bij Dekkers en Huibers en vast ook bij de televisiekijker.
De ’voorstelling’ bij Pauw & Witteman tekent de tijdgeest. Allereerst omdat Darwin, een geniale maar toch doodgewone wetenschapper, een voetstuk heeft gekregen als schepper van een tot nu toe niet geëvenaarde verklaring voor het ontstaan van de diversiteit van het leven. Hij moet het opnemen tegen een schepper die al eeuwenlang door een even grote diversiteit aan geloofsopvattingen wordt aangeroepen. Waarom moet dat in godsnaam? En dan bedoel ik eigenlijk: waarom moet dat in Gods naam? Wat hebben God en Darwin met elkaar te maken?
Deze ’voorstelling’ is exemplarisch voor hoe de moderne mens omgaat met de waarheid. De gefrustreerde, cynische gezichten van Dekkers en Huibers spreken boekdelen. Hier zitten geen mensen tegenover elkaar die menen elkaar te kunnen overtuigen. Ze zitten er met ieder hun eigen gelijk. De een speelt schaak en de ander is aan het dammen.
Die frustratie zou er niet zijn als de mens een directe toegang had tot de waarheid, dan zouden we er niet eens over hoeven praten. Maar de waarheid moet in ons oppervlakkig leven nu eenmaal opgespoord worden en dan met verve worden verdedigd, daarom ook zijn er hoogleraren Publiek Begrip Van De Wetenschap. De frustratie bij de debaters is dus wel begrijpelijk maar ook onterecht. Feiten liggen nu eenmaal niet als stenen voor het oprapen. Dus we zouden niet moe moeten worden om elkaar van ons gelijk te overtuigen. En het moet nu eenmaal hier en nu gebeuren, want een andere gelegenheid krijgt een mens niet.
De geënsceneerde wedijver tussen Darwin en God, die tegenover elkaar worden gezet als het pure toeval en de almachtige beschikking, is een valse tegenstelling, want het pleit kan nooit beslist worden. De gelovige kan altijd vragen: waar komt dat lichtje dan vandaan Midas? En de ongelovige kan simpelweg vragen wat er was voordat God er was, of wanneer God tijd dan geschapen heeft? Die vragen zijn even legitiem als onbeantwoordbaar. Immanuel Kant, de beroemde verlichtingsdenker (en diep religieus bovendien, maar dat verzwijgen de handboeken voor het gemak) zei al: we worden geplaagd door vragen die we niet kunnen afwijzen, omdat de taal ze zelf stelt, maar die we evengoed niet kunnen beantwoorden, omdat het antwoord buiten de taal ligt.
De strijd tussen God en Darwin verhult waar het echt om gaat. Namelijk dat de waarheid van de mens alleen wáár is in de oppervlakkigheid van een mensenleven. Iemand die veel van het onderwerp afweet zal de neiging hebben bij een weinig diepgaand tv-gesprek tussen Dekkers en Huibers te denken: ach dit is te vluchtig, het is allemaal veel ingewikkelder. Als ze de tijd hadden gehad dan was het probleem wel opgehelderd. Maar zo is het natuurlijk niet. Hoe snel de televisiewerkelijkheid ook moet zijn, ook de wetenschap wordt gedaan binnen de grenzen van de tijd. Wetenschap heeft de neiging haar onderzoeksobject als een tijdloos ding voor zich te zien. Een ding waar de wetenschapper eindeloos omheen kan draaien tot die weet hoe het in elkaar zit.
Maar niet alleen de wetenschapper wordt ouder en verandert van opvattingen en inzichten, ook de wereld waarin hij leeft, evenals het onderzoeksobject en zeker als dat het leven is. Het begin van het leven is ongewis en de toekomst ook. Het object van de wetenschap is altijd een aanname, een constructie: er zijn geen onderzoeksobjecten die probleemloos hun grenzen blootgeven. Dat verklaart hoe de missing link zonder dat we hem ooit hebben gevonden al verschillende malen van vorm veranderd is. Van aap tot vis. Dit is ook meteen het fictieve karakter van wetenschap. We zouden haast vergeten dat geen mens ooit een dinosauriër heeft gezien.
Maar het element van de fictie is nog subtieler aanwezig in de harde wetenschappelijke feiten. Hierover schreef de Duitse filosoof Hans Vaihinger aan het begin van de vorige eeuw een belangrijk boek: ’De filosofie van het Alsof’. Daarin laat hij zien dat er maar weinig verschil bestaat tussen feit en fictie. Beide termen impliceren allebei een proces van maken, creatie. Voor fictie is dat evident, maar ook feit bestaat niet zonder onze verbeeldingskracht. Sterker nog, geen enkele kennisvorm kan zonder fictie. Hij noemt de verschillende ficties van wetenschappen: de fysica draaide lange tijd om de fictie van het atoom, de ethiek steunt op de fictie van de vrije wil, de theologie om die van God en de onsterfelijkheid en de biologie om de fictie van de vitale kracht. Maar de sterkste voorbeelden van het fictieve karakter van feiten zijn te vinden in de wiskunde, waarin niet alleen écht gerekend kan worden met onbestaande imaginaire getallen, zoals de wortel uit min één, maar waarmee we ook nog eens heuse machines aan de gang kunnen houden. Deze letterlijk niet voor te stellen getallen hebben in een wiskundig systeem een onmisbare functie. De hele moderne cultuur steunt op een fundament van zulke ficties.
In de wetenschap functioneren ficties als noodzakelijke instrumenten die het mogelijk maken verder te komen in de wetenschap. Zonder de fictie van een missing link kun je er niet naar zoeken. Zonder verbeelding kan geen wetenschapper zich zijn onderzoeksobject voorstellen.
Die ficties zijn natuurlijk wel verraderlijk. Wie vergeet dat het slechts instrumenten van het denken zijn kan zich er door in de luren laten leggen. Een mooi voorbeeld is de fictie van het zelf of een persoonlijkheid van een persoon. In de alledaagse oppervlakkigheid is deze fictie geen probleem, een probleem wordt het wel als we dit zelf proberen te determineren. En deze zoektocht naar het zelf houdt onze maatschappij op dit moment behoorlijk in de greep.
De hedendaagse zelfzoekers zijn in twee kampen te verdelen. Met aan de ene kant de groep die meent dat elk gedrag direct moet corresponderen met een aanwijsbaar plekje in het lichaam, een hormoon, een gen, een hersencel. En aan de andere kant de groep die zijn toevlucht heeft gezocht in juist de verklaringen die worden gekenmerkt door onaanwijsbaarheid en onzichtbaarheid, denk aan aardstralen, aura’s of chakra’s. Robbert Dijkgraaf, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie voor Wetenschappen en dus de vlaggendrager van de eerste groep, laat er geen misverstand over bestaan: „het blootleggen van het brein zal uiteindelijk even onvermijdelijk zijn als de ontleding van ons lichaam. Wij zijn een machine, of we dat nu willen weten of niet.”
Hoe fel ze elkaar ook bestrijden, beide groepen hebben één neiging gemeen: ze hebben hun hoop gevestigd op een ontknoping, op de eenvoud van een verscholen waarheid. De bron van onze persoonlijkheid, de menselijke vrije wil of onze identiteit, ze worden niet langer meer gezocht in de dagelijkse omgang tussen mensen, of in het zichtbare gedrag. Men verwacht een eenduidige oorzaak van onze klachten en veronderstelt een eenduidige oorsprong van ons zelf. Ergens moet de waarheid open en bloot liggen.
Deze neiging tekent de mens. We zouden eigenlijk wel een kijkje in het brein willen nemen en in de eerste plaats in dat van onszelf. De film ’Being John Malkovich’ uit 1999 speelt met dat thema. Een poppenspeler die in het leven weinig geluk heeft ontdekt op zijn werk als archivaris een deurtje achter een archiefkast dat hem de toegang biedt tot het hoofd van John Malkovich (gespeeld door John Malkovich zelf). Samen met een collega biedt hij de toegang tot het hoofd van Malkovich aan als attractie. Voor tweehonderd dollar kan iedereen die het wil de wereld door de ogen van Malkovich zien; Malkovich zijn.
Op het moment dat Malkovich op het spoor komt van deze onbegrijpelijke en obscure attractie, neemt de film een onverwachte wending: John Malkovich belandt in zijn eigen hoofd. Het is beslist een van de creatiefste vondsten uit de filmgeschiedenis. Een paar seconden lang weet de kijker niet wat hij zal krijgen maar hoopt heimelijk op de definitieve opheldering van het allergrootse menselijke enigma: eindelijk te kunnen zien wat er gebeurt als iemand tot de kern van zijn zelf geraakt; een kijkje in het eigen brein. Maar wat krijgen we te zien in ons eigen hoofd?
John Malkovich kijkt door zijn eigen ogen om zich heen en treft alleen maar mensen aan met zijn hoofd en zodra ze beginnen te praten hoort hij: Malkovichmalkovichmalkovichmalkovich malkovich Als voyeur voel je je licht bedonderd, maar zodra je probeert te bedenken wat je wél zou willen zien en horen begint het je te duizelen. En dat gebeurt ook met Malkovich.
Nu kunnen we vandaag de dag wél in ons hoofd kijken. Bijvoorbeeld met de MRI-scan. En inderdaad heeft het neurowetenschappelijk onderzoek met deze en andere technologische ontwikkelingen heel veel meer over het dat vreemde orgaan geleerd dat we het brein noemen. Maar hebben we daarmee ook meer over onszelf geleerd? Een bevriend wetenschapsjournalist stuurde me eens over de mail een MRI-scan van zijn brein.
Wat leert die scan mij over zijn persoonlijkheid? Ik ben geen medisch wetenschapper, dus zegt de afbeelding mij weinig. Maar wat ziet de neurowetenschapper? Van zo’n momentopname nog niet heel veel, behalve misschien iets over de grootte en de vorm van het brein. Voor een goed neurologisch oordeel moet hij in de eerste plaats het brein in beweging zien. Hij moet zien welk deel op welk moment oplicht. Hij moet weten welk deel van de hersenen actief is bij welk gedrag of bij welke innerlijke voorstelling van mijn vriend. Maar om daarover iets zinnigs te willen zeggen, moet hij het gedrag en de voorstellingen zien, interpreteren en begrijpen. En dus richt ook de neurowetenschapper zich op het uiterlijk van de persoon die bij het brein hoort, om iets over het innerlijk te kunnen zeggen.
Op dezelfde wijze kan het aan mij sturen van de breinscan me meer verklappen over het innerlijk van de vriend dan de afbeelding van herseninhoud. Wat betekent dit gedrag? Was hij trots op de scan? Vindt hij misschien dat hij een groot brein heeft? Als ik hem dat vraag en het schaamrood zou op zijn kaken verschijnen, dan zegt dat meer over hem dan welk rood schijnsel op een MRI-scan dan ook.
Ook de filosofie komt woorden te kort voor de moeilijke kwestie die de zoektocht naar het zelf is. En dus worden daarin soms ook beelden gebruikt. Ludwig Wittgenstein komt in zijn beroemde ’Tractatus’ uit 1927 met een eenvoudig tekeningetje van een oog. En hij schrijft erbij: het gezichtsveld heeft niet zo’n vorm. En daarom, concludeert Wittgenstein, behoort degene die de wereld ziet niet zelf tot de wereld maar is er de grens van. Simpeler kan het eigenlijk niet. Het brengt de vele hoge verwachtingen die we hebben van de neurowetenschappen in diskrediet.
Het is natuurlijk een cruciaal probleem voor de mens die naar zichzelf op zoek is, dat we ontsnappen aan ons eigen gezichtsveld. En niet alleen aan ons gezichtsveld overigens. De hele waarneming onttrekt zich deels aan zichzelf; we zitten nu eenmaal vast aan ons letterlijke standpunt in de wereld en in de tijd. Om onszelf zogezegd hier en nu aan te treffen moeten we iets logisch tegenstrijdigs doen: we moeten tegelijk loskomen van dit standpunt en ons hier en op dit moment voor ons zien. Zoals ogen niet zichzelf zien, kunnen we ook ons eigen gevoel, gehoor, reuk of smaak niet voelen, horen, ruiken of proeven.
Het menselijk perspectief zorgt er dus voor dat er iets is waarover we wel moeten zwijgen, maar waar we wel een notie van hebben. En dat niet te dichten gat in onze kennis maakt waarom we onszelf blijven zoeken. We zoeken het gat telkens weer op, maar vinden er niks.
De blinde vlek van onze zelfreflectie en het noodzakelijke gat in onze kennis in het algemeen zijn altijd groot genoeg voor een compleet zingevend verhaal. Dat is waarom zelfs de hardste bewijzen van de wetenschap de verhalen over de zin van het leven nooit kunnen uitsluiten. Zoals de meedogenloze en zuiver atheïstische Bert Keizer in zijn column in deze krant opmerkte: „Het darwinisme verklaart alles vanaf hoofdstuk twee”. Hoofdstuk één kunt u naar hartelust zelf invullen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.