Na bijna tweehonderd jaar is ’Childe Harold’ (1812), oerboek van de Romantiek, alsnog vertaald. Dat het zo lang duurde is geen wonder, vindt Rob Schouten. Want de avonturen van jonker Harold steken nogal bleekjes af bij het leven van de schrijver zelf: de legendarische Lord Byron. Die lapte werkelijk élke conventie aan zijn laars. En maakte diepe indruk op zijn tijdgenoten.
’Childe Harold’, het lange romantische gedicht van Lord Byron (1788-1824) over een jongeman die door het post-Napoleontische Europa reist, is ongetwijfeld een pronkstuk in het Pantheon der Ongelezen Meesterwerken, die lange galerij van boeken die meer geciteerd dan gelezen, en meer genoemd dan geciteerd worden. Ik zou bijvoorbeeld niet graag de kost geven aan lezers die ’Childe’ gewoon voor een rare vorm van child, kind dus houden, terwijl het in werkelijkheid een archaïsch Engels woord voor de oudste zoon van een edelman is. In haar zojuist verschenen vertaling van ’Childe Harold’, de eerste in Nederland nota bene (dat zegt wel iets over de ongelezen status van het boek), maakt vertaalster Ike Cialone er ’jonker Harold’ van: De omzwervingen van jonker Harold.
Met deze jonker Harold, wiens avonturen voor het eerst in 1812 verschenen, bracht George Noel Gordon, bekend geworden als Lord Byron, de fameuze Byroneske held in omloop, een melancholische jongeman die na een losbandig leven gaat reizen, en verslag doet van zijn omzwervingen en overpeinzingen aangaande het leven. Jonker Harolds omzwervingen vormen daarmee een romantisch reisboek, dat zich grotendeels afspeelt in landen rond de Middellandse Zee, begin negentiende eeuw voor Engelsen nog het toppunt van exotisme.
Tegenwoordig kennen we ’Childe Harold’ voornamelijk nog als obligate citatenbron in reisgidsjes. Bezoek je bijvoorbeeld Venetië dan krijg je steevast te horen wat Lord Byron er tweehonderd jaar vóór jou van vond; leidt het pad naar het Portugese Sintra dan klinken onvermijdelijk deze regels op: „Zie Sintra’s paradijs op aarde gloren, / dat bonte paradijs van bos en gaard!”.
’Childe Harold’ is zodoende behalve de broedplaats van de Byron-held ook de voorloper van al dan niet verkapte aardrijkskundige verhalen, zoals ’Alleen op de wereld’ van Hector Malot, of ’Nils Holgerssons wonderbare reis’ van Selma Lagerlöf, een aansporing om de wereld buiten je deur te leren kennen.
Voor de eenentwintigste eeuw heeft ’De omzwervingen van jonker Harold’ vooral historische en curieuze waarde. Een spannende, spectaculaire geschiedenis is het beslist niet. Je zou het met enig venijn ook best een braaf en saai verslag kunnen noemen van een reiziger die keurig zit te peinzen bij de juiste ruïnes en gepaste zuchten slaakt bij het lot van vreemde volken. Byrons tijdgenoot Willem Bilderdijk, die geen groot liefhebber van het werk van zijn grote Engelse vakbroeder was, noemde het in zijn tijd overigens ook al een ’ongoddelijke wildzang’.
Harolds omzwervingen vinden plaats tijdens en na de grote Napoleontische oorlogen en je zou kunnen zeggen dat ze een soort weerslag vormen van de grote melancholie van die tijd, Europa was nog in het ongerede en moest wederopgebouwd worden, de oude wereld was onherroepelijk voorbij maar de nieuwe gloorde nog niet heel duidelijk.
In deze culturele schemerwereld reist Harold naar het voor een jongeling van zijn stand verplichte Bildungsland Italië, maar ook naar de Alpenlanden, Frankrijk, Spanje, Portugal, Griekenland, Turkije, waar hij met die typisch romantische voorkeur voor vergane glorie speurde naar glimpjes middeleeuwse en vooral klassieke schoonheid en grandeur.
Met name het lot van het oude Griekenland, door de opgravingen van Schliemann, de kunsttheorieën van Winkelmann en de (door Byron overigens braaf gegispte) plundertochten van Lord Elgin in West-Europa aan de man gebracht, fascineerde de schrijver. Het land was inmiddels volstrekt geknecht geraakt door de Turken, maar Harold toont zich een ware bevrijdingsdenker: „Kom Griekenland, verjaag uw dwingelanden! / Uw glorie is gedoofd; u resten hoon en schande.” Harold is zo’n beetje de eerste balling in de literatuur met poëtische visioenen over de bevrijding van de mensheid.
Maar het meest tot de verbeelding spreekt wat mij betreft Harolds bezoek aan Albanië, voor ons jarenlang een hermetisch gesloten land dat nu weer krampachtig probeert mee te doen, maar in Byrons tijd een fascinerende en kleurrijke smeltkroes van christelijke en mohammedaanse invloeden, van mediterrane schoonheid en ruwe bergvolken.
’De omzwervingen van jonker Harold’ bestaat uit vier canto’s en in de tweede tref je zijn lofzang op Albanië aan, zijn odes aan de even wrede als gastvrije Pasja bij wie hij op audiëntie mag, aan ’het vreemd festijn / van lust en luxe bij de muzelmannen’, maar ook zijn merkwaardige promotie van de kuisheid bij het (niet)zien van de Albanese vrouwen, die hij ondanks de volgende regels als beeldschoon wist te determineren:
Men hoort geen vrouw. Zij moet
gescheiden leven
En sluiert zich voor wie haar eer
bedreigt:
Slechts één mag zij haar hart en lichaam geven.
Gekooid, maar niet tot rebellie geneigd,
Tevreden met de liefde die ze krijgt,
Blij met het kind dat in haar armen rust
Geluksgevoel dat alles overstijgt!
Voedt zij, zich van haar grootse taak
bewust,
De baby die haar borst niet deelt met
lager lust.
Byron gebruikte voor Harolds avonturen de ongebruikelijke Spenseriaanse stanza: coupletten van negen regels, de eerste acht daarvan jambische pentameters, de laatste regel een alexandrijn. Het rijmschema is ababbcbcc. Vertaalster Ike Cialona maakte er een soepel lopend maar gelukkig niet overdreven moderne vertaling van, die zelfs iets negentiende eeuws heeft behouden.
Neemt allemaal niet weg dat het lezen van deze omzwervingen een hele zit is. Wat voor Byrons tijdgenoten ongetwijfeld exotisch nieuws was, klinkt ons voornamelijk in de oren als een taaie lijst van Europese steden en landschappen met brokstukjes historie in niet al te bekoorlijke dichtregels.
Aanvankelijk liet Lord Byron weten dat je zijn held Harold vooral niet met hemzelf moest identificeren, alhoewel hij toevalligerwijs precies dezelfde reizen had gemaakt, maar daar geloofde natuurlijk niemand wat van. In het laatste deel van zijn odyssee, Canto IV, geeft hij de maskerade dan ook maar op en voert zichzelf als hoofdpersoon op, terwijl hij Harold haast tussen de regels door laat sterven.
Opmerkelijk aan ’De omzwervingen van jonker Harold’ is dat ze, bij alle autobiografische inspiratie, in feite bleekjes afsteken bij het leven van de auteur zelf. De meeste schrijvers moeten hun wederwaardigheden oppompen voor het publiek maar het lijkt wel of Lord Byron voor de literatuur vooral lucht uit zijn eigen leven liet ontsnappen. Want zijn eigen leven is romantischer dan dat van zijn held.
Geboren in een oud adellijk geslacht, knap van uiterlijk maar met een horrelvoet die hij beschouwde als een signaal van zijn lot als gevallen engel, ontwikkelde de jonge Lord (hij erfde de titel van een oudoom) zich al gauw tot een ongekende lichtmis, die speelschulden paarde aan ontelbare seksuele avonturen met leden van beide geslachten, tot een verhouding met zijn halfzuster aan toe. Byron heeft zijn naam dan ook, meer dan aan zijn literatuur, te danken aan die onrustbarende combinatie van amoreel gedrag en ongebreidelde vrijheidsdrang. De grootste Byroneske held was hij in feite zelf.
Zijn zedeloze levensloop, waarin hij talloze veroveringen afwisselde met even talloze afdankingen, vrouw en kind verliet en een bastaarddochter verwekte, bezorgde hem in zijn vaderland een kwalijke reputatie. Men zag hem als de baarlijke duivel zelf en het gerucht gaat dat sommigen een kruis sloegen als zijn naam viel. Verder was het verhaal ’The vampyre’ van John Polidori, Byrons arts, in hoge mate gebaseerd op het leven van de patiënt zelve. Byron stond zo aan de wieg van de charmante, aristocratische vampier die in de negentiende eeuw zoveel romantische geesten begoochelde.
Buitenlanders begrepen niet waarom Lord Byron door het Britse establishment was verstoten. Zij beschouwden hem niet alleen als politieke vrijheidsheld maar ook als iemand die kleinburgerlijke waarden en hypocrisie aan de kaak stelde. Hij was, in uitheemse ogen, een ware Europeaan. Zelfs brave geesten als bij ons Nicolaas Beets en De Genestet bewonderden de excessieve Lord. Jonker Harold reist rond, kijkt zijn ogen uit en beperkt zich tot verheven bespiegelingen, maar zijn schepper lapte de maatschappelijke normen en waarden aan zijn laars en bemoeide zich daadwerkelijk met de Griekse vrijheidsstrijd tegen de Turken. Een heuse revolutionair.
Byron verwierf zich er mythische allure mee, waartegen zijn dichtkunst eerlijk gezegd nauwelijks opweegt. Zelfs zijn onaffe meesterwerk, het picareske epos ’Don Juan’, dat veel satirischer en komischer is dan het plechtstatige ’Childe Harold’, legt het af tegen de uitstraling van de auteur zelf.
In 1824 stierf de warmbloedige vrijheidsheld aan moeraskoorts in het land waarvan hij in Harolds tweede zang schreef:
Koud is de mens die niet met u kan
rouwen,
Mooi Griekenland, om ’ t schoons dat u bezat,
En die met droge ogen kan
aanschouwen
Hoeveel de Brit geroofd heeft uit uw stad.
Zijn landgenoten ontzegden hem daarop een passende bijzetting in Westminster Abbey, maar de Grieken beschouwen hem nog altijd als hun vrijheidsheld. De tempel van Poseidon op Kaap Soenion, waar Lord Byron zijn naam in een zuil kraste en waarover hij schreef dat ze „door weinige passanten wordt bekeken / Die met de zucht ’Helaas’, als ik, de stilte breken”, geldt als zijn voornaamste bedevaartplaats.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.