Palestijnse families zijn teruggekeerd naar hun verwoeste huizen, in de heuvels rond Gaza-stad. Er staat weinig meer overeind.
Vrouwen en kinderen staren in het rond als ze Salatin in het oog krijgen, langzaam voorthobbelend op hun afgeladen ezelkarren of opgepropt in hun afgeragde auto’s. Er heeft hier, een hooggelegen plek die uitkijkt over Gaza-stad, een hevig gevecht plaatsgevonden.
Een gebruikte infuuszak van het Israëlisch leger ligt op de weg, even verderop ligt een Israëlische legerlaars, half verborgen in het puin van Nabil Sultans platgebombardeerde huis. Huizen links en rechts zijn doorschoten met salvo’s van tanks en machinegeweren.
Sommige woningen, zoals die van Sultan, zijn zo plat als een pannekoek door bommen uit een F-16. Een verdoofde man, gewikkeld in een deken die hem beschermt tegen de vroege ochtendkou, zegt dat hij zijn huis simpelweg niet kan vinden.
„De Israëliërs maanden ons te vertrekken, Hamasstrijders vertelden ons daarna hetzelfde”, zegt Sultan. Zo’n 45.000 Gazanen vluchtten tijdens de gevechten naar scholen van de Verenigde Naties. Bijna 1300 Palestijnen kwamen om, zo’n 5300 anderen zijn gewond – meest burgers. Aan Israëlische zijde kwamen dertien mensen om.
Hamas negeert de ver uiteenlopende dodentallen en de verwoestingen in sommige delen van Gaza, en heeft de overwinning uitgeroepen. Het openlijk bekritiseren van Hamas tegenover buitenlanders is zeldzaam. „We hebben de oorlog gewonnen. Maar we zijn alles kwijt”, zegt de broodmagere Sultan met een dunne glimlach. „Dit was mijn huis”, schokschoudert hij, bij een berg cement en verscheurd beddegoed.
Op de heuvel aan de oostkant van de stad is de werkelijkheid er een van totale verwoesting. Er zijn geen gebouwen meer die rechtop staan, plekken waar de raketploegen van Hamas zich kunnen verbergen. Er zijn ook geen boomgaarden meer.
Tegelijkertijd waren dit huizen, geen forten, en de eigenaren blijven achter, zich een weg banend door het puin. Ze vissen er alles uit wat ze misschien nog kunnen gebruiken: matrassen, deurkrukken, kranen, deuren, lichtknopjes.
Het zijn de eerste pogingen in een enorme schoonmaakoperatie. Opgezwollen dode paarden en ezels moeten verzameld worden, en bergen rottend vuilnis moeten weg voor ze ziektes verspreiden. Water en licht, voor de oorlog al een probleem, moeten hersteld worden en onbegaanbare wegen opgeruimd.
In het eveneens hoog gelegen Oost-Djabalja is de situatie niet veel anders. „Dit is wat het fosfor heeft gedaan”, zegt Mohamed Abed (47) naast zijn koelkast, een zwart geraamte. „Het was bijna mooi, als vuurwerk. De kinderen probeerden het vuur uit te stampen, maar dat spul brandt zelfs in water.”
„Er is geen tuin meer, geen bomen, geen steen, geen huis”, zegt Amna Aboeeide, wier huis van drie verdiepingen erbij ligt als een platgeslagen cementcake. Haar dochter Fatma (29) staart naar de huiskat die nieuwsgierig rondsnuffelt tussen de ingestorte muren. „Ik ga een tentje opzetten en hier weer leven”, zegt ze. „Maar wie gaat me helpen ons huis weer op te bouwen?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.