*

 

Dus verstand op nul en rijden maar

Bas Belleman − 21/03/09, 00:00

Hamburgse hoeren, platte humor, een lijk in de kofferbak: met zulke ingrediënten brouwt P.F. Thomése een memorabel boek, dat doet denken aan de film ’Pulp fiction’.

In een oude Toyota Kamikaze naar een Hamburgse hoerenbuurt en weer terug naar Nederland met een dode Turk in de achterbak: daarover gaat P.F. Thomése’s fijne pulproman ’J. Kessels: The novel’. Met zijn autobiografische werk, zoals ’Schaduwkind’ (over de dood van zijn pasgeboren dochtertje) en ’Nergensman’ (net genomineerd voor de Gouden Uil) oogstte Thomése veel waardering, maar zijn aanstekelijke komedies mogen er ook wezen. De mediasatire ’Vladiwostok!’ werd trouwens ook voor de Gouden Uil genomineerd.

Deze keer wijdt Thomése een roman aan zijn goede vriend J. Kessels, die al eens eerder opdook in de verhalenbundel ’Greatest Hits’. De schrijver krijgt een telefoontje van Bertje de Braaij, die hij nog van vroeger kent, uit een cafetaria. Of Thomése en J. Kessels hem misschien willen helpen om in Duitsland iemand op te sporen.

De schrijver accepteert de opdracht alleen maar omdat hij op slag weer opgewonden raakt bij de herinnering aan Berts zus Birgit de Braaij, ’bijgenaamd B.B., initialen die zowel op haar billen konden slaan als op haar borsten’. Hij weet opeens weer hoe ze met ’kronkelende heupbewegingen’ achter de flipperkast stond. „De zilveren kogels gingen als gekken tekeer tussen de stootkussens van de Pinnball Machine, de lampjes flitsten aan en uit, de flippers hielden het maar net.” Wie weet komt hij weer iets over haar te weten.

Dus verstand op nul en rijden maar. Op naar Hamburg om met zijn drieën een vrouwenhandelaar annex schuinsmarcheerder op te snorren die Berts zwager blijkt te zijn, oftewel Birgits echtgenoot: een NAC-fan, die naar een zwakke Duitse voetbalclub gaat kijken en in een supportersvak vol topless prostituees is beland, dat bewaakt wordt door een Duitser met een geweer. En dan ligt plotseling dat lijk in de kofferbak.

Zo’n soort roman is het. Allemaal opgeschreven in een vulgaire, hyperbolische stijl vol rauwe typeringen die de schijn van spreektaal wekt. Het doet denken aan de boeken van Herman Brusselmans en de films van Quentin Tarantino: doen alsof het troep is, maar ondertussen de ene memorabele scène na de andere schrijven. Zolang het ritme klopt, kan alles. Wie de platte grappen niet waardeert, kan het boek maar beter wegleggen.

Door het spreektaaltoontje lijkt de ik-figuur zijn verhaal voor de vuist weg te vertellen, zoals het in hem opkomt. Bovendien is hij het grootste deel van de tijd hitsig of geprikkeld, wat ook verklaart waarom hij bij vlagen zo plat overkomt.

Hij verzint bijvoorbeeld de ene na de andere overdreven zinnelijke lofprijzing voor Birgits ’geweldige lichaam, dat halvemaanvormige ruimteschip dat op een goede dag in mijn jongenskamer was geland’. Daarnaast vuurt hij in zijn verhitte stemming magere grappen af als ’één plus één is twee en drie is een orgie’. Maar gezien de vaart van het verhaal schamp je daar overheen als een kiezel over het water.

Misschien ligt daar de kracht van het boek in: dat de stemming en authenticiteit van de hoofdpersoon als inspiratiebron werken voor de meest uitzinnige vergelijkingen en tegelijkertijd als excuus voor de zwakkere typeringen. Wanneer je met een groep vrienden in de kroeg de ene na de andere grap over tafel laat rollen, ga je de dubieuzere opmerkingen ook niet op een weegschaaltje leggen.

Het enige wat je op de meligheid kunt aanmerken, is dat de schrijver geen grote greep doet. Wat hij doet, hebben anderen al eens eerder gedaan, waardoor de schrijver soms op een goede coverband lijkt: alsof hij het boek van een ander uitvoert.

Maar daar staat tegenover dat dat gebrek aan pretentie ook wel fijn is. Een good read. De scène waarin Thomése zijn Birgit (’de onbespoten droom van mijn popelende jongenstijd’) weer ontmoet, zal me nog lang bijblijven.

Dat dit op een desillusie uitdraait, zagen we wel aankomen, maar zoals Thomése schrijft: „Dat is nu eenmaal de consequentie van een grote lijn: dat je ’m recht van je snufferd zo naar je doel kunt trekken. Maar goed, je moet het nog wel even doen, natuurlijk.”

Ondertussen doet J. Kessels de hele roman weinig anders dan onverstoorbaar doorroken en country & westernmuziek draaien. De stemming erin houden.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />