*

 

'Mijn bos is ons bos

Marion Bloem − 24/07/10, 00:00

opinie Letter & Geest vraagt deze zomer auteurs om hun toevluchtsoord te bezoeken. Deze keer: Marion Bloem.

  •  (MARCO HOFSTÿ)
    (MARCO HOFSTÿ)
  •  (MARCO HOFSTÿ)
    (MARCO HOFSTÿ)

In het dorp van mijn jeugd waren vier soorten kinderen: die van de katholieke, die van de christelijke, die van de openbare school en dan had je nog de Indische, ongeacht van welke school. ’Openbaren klapsigaren’, ’Christelijken schijteriken’, ’katholieken elastieken’, ’Indapindapoepchinees’ waren de fantasiearme rijmpjes die de ene groep schoolkinderen naar de andere riep, op weg van huis naar school of andersom.

Wij mochten niet terugschelden van mijn moeder, maar moesten erboven staan. Dat nam ik erg letterlijk. Wiegend in de top van de Hollandse eik die boven het dak van de rij doorzonwoningen van de Plesmanstraat in Soesterberg uittorende, keek ik neer op buurmeisjes die stoeprandje speelden, touwtje sprongen, hinkelden of met een groot stuk elastiek in de weer waren.

Er was in mijn jeugd van alles om voor op de vlucht te gaan. In de straat was het ijs weliswaar na de eerste winter gebroken dankzij mijn moeders gastvrijheid, maar tegelijk zorgde zij er ook voor dat we in de ogen van die kinderen buitenaardse wezens bleven. Alleen al de abrupte wijze waarop we uit het spel werden weggefloten was een reden om niet aan verstoppertje of tikkertje te beginnen.

Als mijn moeder in de deuropening haar tweetonige deuntje floot, moesten wij binnen een minuut onze voeten vegen op de kokosmat bij de keukendeur. En liepen wij het tuinpad niet meteen gehoorzaam op, dan werden wij opgewacht met de pollepel, die in haar sterke hand vervaarlijk rondzwaaide. Klokslag vijf uur moest je aan tafel zitten, want anders probeerde ze een halve regenboog op je benen te slaan. Dan moest je de volgende dag kniekousen dragen.

Er was geen kind in onze buurt dat met dezelfde haast naar huis moest. Liever dan het commentaar aanhoren van buurkinderen die zich gelukkig mochten prijzen dat hun moeder haar opvoedingsmethoden niet in het jappenkamp had aangeleerd, speelde ik in mijn eentje. In het bos tegenover ons huis bouwde ik boomhutten. En tussen het struikgewas groef ik diepe kuilen, die ik overdekte met takken om me onder te verschuilen. Maar het allerliefst zat ik in die hoge eik.

Zodra mijn moeders gefluit klonk, liet ik me snel van tak tot tak op de grond zakken. Er bestond voor mij geen twijfel dat ik regelrecht van de orang-oetan afstamde. Grappen daarover ervoer ik als een compliment. Voordat ik me van de laagste tak op de zachte grond liet vallen, slingerde ik nog wat extra met mijn benen heen en weer.

Familieleden noemden me een gespierde spijker. Met mijn spierballen en jongenskuiten boezemde ik ontzag in. Op school slingerde ik bij het apenkooien als een chimpansee door de gymzaal, sprong zonder angst van de bovenste trede van het klimrek op de grond, en verplaatste me bovenin het klimtouw zonder aarzeling naar het volgende touw. Tarzan en Jane hadden van me kunnen leren.

Ondanks mijn veel te mooie schoolrapporten, ondanks het feit dat de onderwijzers hun sympathie voor mij niet onder de schoolbanken staken, maakte ik dankzij mijn sportieve prestaties op school meer vrienden dan vijanden. Maar liever dan mee te doen met tikkertje, verstoppertje of andere spelletjes, hield ik me ergens in een hoekje van de speelplaats schuil, waar ik de anderen kon observeren, of waar hun stemmen alleen nog ruis waren. Hoe gezellig de meerderheid van de leerlingen zich ook gedroeg, soms kon er opeens eentje een kat maken over mijn Indische achtergrond, juist wanneer ik er niet op bedacht was, meestal net als ik me een van hen waande.

Er stond maar één boom, midden op het schoolplein, en die werd erg goed in de gaten gehouden. Daar kon ik niet in. Achter het fietsenhok was het donker. Goed om me heen kijkend opdat niemand mij zag weg glippen, sloop ik erlangs, kroop door een uiterst smal gat in de heg, worstelde me door struikgewas, zorgvuldig de brandnetels mijdend, en trok me terug onder een rododendron. De takken waaierden als een grote parasol boven mijn hoofd uit.

Daar bewaarde ik mooie kiezelstenen en grillig gevormde korte takken. Ik groef er een kuil waar ik mijn gedichten en verhaaltjes, opgevouwen in mijn plastic pennenetui, onder het zand bewaarde. Onder die rododendron fantaseerde ik een wereld die niets met mijn ouders of mijn medescholieren te maken had. Met tegenzin kroop ik tevoorschijn als de schoolbel rinkelde.

Leren vond ik leuk, maar het trage tempo van medeleerlingen deed me vluchten in het schrijven van verhalen. Oogluikend stond de onderwijzer toe dat ik tijdens zijn uitleg gedichten en verhaaltjes op kladblaadjes schreef. Op school begrepen ze me beter dan thuis, want thuis schreef ik vooral op de wc omdat ik anders gestoord werd om de steentjes tussen de rijst vandaan te halen of de taugé te pellen.

Af en toe werd ik uit de klas geplukt en de straat op gestuurd om een envelop af te geven bij de gemeentesecretaris. Soms stuurden ze me naar de melkboer voor koffiemelk, of moest ik een map naar de pastorie brengen en mocht ik daar onder het genot van een kopje thee en een koekje even wachten totdat de pastoor iets had om mij mee terug te geven.

Zo ontdekte ik meer leuke kanten van het alleen zijn. Ik liep door straten waar ik anders niet kwam. Ik zag als voor het eerst de kleur van de deuren en kozijnen, de tuintjes, de hekjes, de bloemen in de plantsoenen. Alles wat me in de dagelijkse gang, omringd door joelende en scheldende schoolgenoten ontging, openbaarde zich aan mij als een nieuw dorp. Een ander dorp. Op die momenten van de dag leek mijn woonplaats uitgestorven. Ik keek bij de huizen naar binnen. De woonkamers waren leeg. Heel soms zag ik een vrouw haar matten kloppen of haar stoepje schrobben. Als ik een voorbijganger – altijd vrouwen, nooit mannen – tegenkwam, keek deze me vreemd aan. Ik zag haar denken: wat doet dat meisje op straat?

Een soortgelijke beleving had ik als mijn familie bij ons logeerde en we na het avondeten gezamenlijk het grote bos in gingen. Vaak een groep van meer dan dertig kwetterende, rennende, slenterende, stoeiende en lachende Indo’s. Volwassenen waren nooit te beroerd om al wandelend verstoppertje mee te doen. Neefjes en nichtjes uit de stad, hoe stoer ze in hun eigen buurt ook altijd waren, zochten hun verstopplek dicht bij de groep. Maar ik rende liefst zo ver mogelijk van de familieleden weg, de striemen van wilde bramenstruiken negerend. Ik ervoer een rare mengeling van vreugde en angst, zodra ik hun stemmen niet meer hoorde.

Een paar keer werd ik onverwacht beloond met de verschijning van een hert. De eerste keer zag ik de vader van Bambi. Een andere keer stond ik oog in oog met een moederhert en haar schichtig jong. Het moederhert wachtte telkens of het jong volgde en keek mij daarbij strak aan. De sensatie die ik toen als tien of elfjarige voelde, is wat mij dreef om op latere leeftijd in mijn eentje op reis te gaan. Als de avond gevallen was, maar ik nog geen betaalbaar bed had gevonden voor de nacht, was ik als dat kind tussen de jonge dennenbomen, springend over bosbessenstruiken, op zoek naar een open ruimte waar de laatste zonnestralen de indruk wekken dat er op onze aarde voor iedereen die bereid is te zoeken, een paradijs bestaat. Als ik na een zware klim de top van een berg bereik, of in elk geval een uitkijkpunt vanwaar ik het landschap kan overzien, voel ik me net zo geweldig als toen dat waakzaam moederhert mij gadesloeg.

Na de lagere school kon ik niet aarden op het lyceum waar strenge nonnen de scepter voerden. Met tegenzin stapte ik elke ochtend op mijn fiets.

Het was niet de enige onomkeerbare verandering aan het begin van mijn puberteit. De eerste menstruatie en de eerste beha bleven nog lang uit, maar van een onbezonnen jeugd was geen sprake meer. Dat ze de grote rododendron achter het fietsenhok van de lagere school verwijderd hadden heb ik niet hoeven merken. Maar op een dag werd ik gewekt door het gebulder van bulldozers en draglines. Het bos tegenover onze doorzonwoning maakte plaats voor nieuwe rijtjeshuizen.

Ik was er, met mijn fiets aan de hand, de zware schooltas strak onder de snelbinders, getuige van dat mijn Hollandse eik, die wellicht al meer dan honderd jaar oud was, zonder enig mededogen werd omgezaagd. De stam was al van zijn takken ontdaan. Of ik zou jammeren, schreeuwen, huilen, het maakte niks uit. Het had in de dorpskrant gestaan, op dezelfde pagina als mijn sonnet, een loflied op het bos op verzoek van de hoofdonderwijzer van de lagere school, die tevens hoofdredacteur van het gratis krantje was. Ik had erg mijn best gedaan op het gedicht, maar had nooit gedacht dat de bijl er echt in zou gaan. Ik zag mijn jeugd in mootjes opgaan. Ikzelf werd als brandhout in de laadbak van de vrachtwagen geworpen. Toen ik terugkwam van school was het hele bos weg, en was er alleen nog zwarte omgewoelde aarde.

De eik en mijn schuilplek waren weg. Ik voelde me gevangen op het lyceum, ondanks de gigantisch grote tuin die eromheen lag. Nergens kon je lopen zonder een groepje keuvelende, giechelende meisjes tegen te komen. Nergens was er stilte voor mijn eigen gedachten. Op zoek naar een rustig plekje verdwaalde ik in de vele schoolgangen en kwam ik regelmatig terecht in het internaatgedeelte van de school. Als een non me daar betrapte kreeg ik straf. Aan mijn uiterlijk konden ze zien dat ik geen meisje was met ouders die zo’n dure kostschool konden betalen. Het internaat was verboden terrein voor de gewone leerling.

Als puber ontdekte ik al gauw het nut van spijbelen. Ook als het regende zocht ik een plekje in het bos om te schrijven. Er was altijd wel een boom met stevig gebladerte om me droog te houden. Mijn poncho als een tent boven mijn hoofd. Pas als ik drijfnat werd verkaste ik naar de rokerige stationsrestauratie waar ik zonder iets te bestellen urenlang kon blijven schrijven.

Na een jaar op de meisjesschool schreef ik me in op de Rijks-hbs, waar ik nog vaker spijbelde. De vriendelijke onderdirecteur liet mij, als ik gesnapt werd, voor straf een opstel schrijven. Een betere stimulans om nog vaker te spijbelen was niet denkbaar.

Mijn expansiedrift nam toe. Ik liftte om nieuwe delen van Nederland te ontdekken, ging zoeken naar plekken met uitzicht. Het drielandenpunt, de Domtoren, de Martinitoren, de Euromast, de heuvels tussen Arnhem en de grens met Duitsland, het polderlandschap, de Afsluitdijk... Alles wilde ik zien. Als het gebied per auto niet makkelijk bereikbaar was ging ik vanaf de snelweg wandelen. Ik vraag me wel eens af hoe dat eruit moet hebben gezien, zo’n kind van veertien langs de kant van de weg met de duim omhoog. Wanneer het laat werd, belde ik naar mijn moeder dat ik mijn huiswerk bij een vriendin had gemaakt. Maar vriendinnen had ik niet.

De behoefte aan de beschutting van het bos ging over in de behoefte aan uitdaging en avontuur. Mijn nieuwsgierigheid won het van mijn verlangen om met rust gelaten te worden. Het cadeau van mijn moeder voor mijn zestiende verjaardag was een georganiseerde familiereis naar Italië. Ik leende een fiets van het hotelpersoneel om in mijn eentje de omgeving te ontdekken. Van kluizenaar werd ik reiziger.

Toen ik op mijn achttiende de man van mijn leven leerde kennen, die net als ik wilde schrijven en reizen, gingen we de wereld samen ontdekken. We aten liever wekenlang brood met tomaat in een berglandschap tussen indianen dan dat we thuisbleven in Nederland. Behalve mijn behoefte aan avontuur, vluchtte ik ook voor de kou, de verplichtingen, en voor de bekendheid die een gevolg was van mijn publicaties. Zodra ik thuiskwam van een reis wilde ik het liefst meteen weer weg. Vaak ook reisde ik in mijn eentje.

Vijftien jaar geleden verhuisden we naar een huis in een klein bos dat veel gelijkenis vertoonde met het bosje uit mijn jeugd. Daar vond ik rust. De behoefte om te reizen bleef, maar als ik thuiskwam was ik blij weer tussen de spelende eekhoorns te zijn. De reizen werden korter. Ik was vaker thuis dan onderweg. Het reizen had niets meer van een vlucht, het maakte deel uit van mijn werk.

Werd ooit mijn Hollandse eik bruut omgehakt, ruim zeven jaar geleden werd mijn Hollandse man meedogenloos door prostaatkanker geveld. Hij liet zich niet kisten, maar de onderzoeken, behandelingen, de ziekte zowel als de gevolgen van de behandelingen belemmerden ons in het reizen. In onze tuin staan geen Hollandse eiken, maar wel een stevige oude Amerikaanse. Aan een klim heb ik me nog niet gewaagd. Ik bouw geen hutten en graaf geen kuilen om me in te verstoppen. Ik bevrijd de bomen van de verstikkende klimop, verwijder dode takken van de hoge dennen, negeer de striemen die de wilde frambozenstruiken op mijn benen achterlaten, en trek met blote handen brandnetels uit de grond. Er zijn nog altijd redenen om te vluchten, maar dan blijf ik juist lekker thuis. Ik nestel me ergens in mijn eigen bos. Ik schrijf niet meer zittend op het mos met een pen op kladblaadjes, maar werk op een laptop onder het afdak aan een houten tafel.

Heel soms staat er opeens een hert in de tuin. Een keer vlak bij de keukendeur. Het staarde me aan. Er zat een litteken op zijn rug. Ik verroerde me niet. Hoe lang we elkaar zo in de ogen hebben gekeken weet ik niet. Mijn bos is ons bos.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />