opinie Sterven aan het Rotterdamse water is niet bepaald de droom van een jonge immigrant. En levend verbranden aan de Feijenoordkade – 13a, twee hoog, om preciezer te zijn – stond ook niet op mijn verlanglijst in die juninacht in het jaar 1977.
Daarbij komt dat ik mezelf nooit als immigrant had beschouwd. Ik was meer een vertwijfelde passant. Een gelegenheidsreiziger op de vlucht voor voorspelbare zekerheden, een benauwend Frans gezin en op zoek naar een exotisch rustpunt. Hoe exotisch kan Nederland wel niet zijn, vanuit Zuid-Europa bezien? Ik was een dromerige en eenzame wandelaar die Jean-Jacques Rousseau had gelezen en op een dag zijn boeken in een koffer had gepropt om in de nachtrein van Marseille naar Rotterdam te stappen. Dat was precies drie maanden voor die nacht in juni.
Aan het einde van deze cruciale rit stond een meisje op mij te wachten. Net negentien geworden zou ze vele jaren mijn levenspartner zijn. Ze had, schreef ze in het prille voorjaar van 1977, een ’leuk appartement aan het water’ gevonden in haar eigen land, haar eigen stad. Piepklein, dat wel, maar voorlopig voldoende om ons nest in te vlechten. En natuurlijk niet duur: 120 gulden huur, 95 voor de energiekosten.
Het moet ruim na middennacht zijn geweest dat ik me langzaam uit mijn slaap wurmde. Als een badgast die traag het water uitloopt. Eerst waren er kleine ontploffingen. Droog, kort, maar luid genoeg om mijn bewustzijn op te jagen. Dan verbrijzelend glas. En ook het zeurderige janken van een vrouw. Er gebeurde wel eens wat, ’s nachts, op de Feijenoordkade en hoewel ik in de voorgaande maanden niet voor elk dronkemansgeschreeuw mijn bed uit wilde komen, was mijn geest nu scherp en gealarmeerd. De minuscule, raamloze slaapkamer gaf directe toegang tot de even bescheiden woonkamer met riettegels vol kattenvlooien.
Vanaf de deuropening van de slaapkamer waar ik nu stond was het schouwspel angstaanjagend én fascinerend. De vlammen die vanaf de benedenverdieping opstegen, namen het hele uitzicht op de Maas weg. Het was alsof onze eigen ramen zelf in lichterlaaie stonden, alsof die gigantische vuurtongen zich al een weg naar binnen hadden gebaand en aan mijn boekenkast begonnen te likken. „Hier ga ik dus dood”, dacht ik in een flits, met een fatalisme dat me nog jaren later verbaasde. Maar zie hoe mijn andere ik, met al zijn ingebouwde overlevingskracht, over zijn amorfe broertje heen walste: Ik begon uit volle borst te schreeuwen en trok brullend mijn vriendin uit ons bed. In een zeer bewuste beweging griste ik mijn spijkerbroek van een stoel. Om in het rijk der levenden aanvaard te worden, moet je wel decent verschijnen.
De trap was deels met lichte rook gevuld maar gelukkig bleek de deur van de brandende benedenwoning gesloten. Ik duwde mijn vriendin naar beneden. Zelf ging ik als een speer terug. Ik was de buren vergeten te wekken! Hoe lang heb ik als een bezetene op hun deur gebonkt? Ze wilden maar niet wakker worden die twee. ’Brand! Brand!’ Ik voelde de laatste stuiptrekkingen van mijn ontreddering wegebben: ik wist nu zeker dat er een veilige doorgang naar buiten bestond. Ik bonkte en bonkte tot de deur eindelijk openging. Hij was een Marokkaan die van plan was zijn Mercedes, een oude bak waaraan hij avondenlang op de kade sleutelde, de volgende zomer ergens in het Rifgebied te verkopen. Zijn vrouw was een blonde Nederlandse. Ze heette Ria, geloof ik, maar sinds haar bekering tot de islam droeg ze ook een Arabische naam.
Enkele ogenblikken later stonden we met zijn vieren op de stoep met een kruin van vuur boven ons hoofd. De vijfde bewoner van ons pand zat meters verderop tegen een muur aangeleund. Hard jankend en zichtbaar dronken. Deze Joegoslavische vrouw had een slechte naam op de kade. Ze verslond mannen, sprak amper Nederlands en leefde in een mist van alcoholica. Ze was die nacht met een brandende sigaret in de hand in slaap gevallen. Toen haar bed vlam vatte, vluchtte ze zonder iemand te waarschuwen. Haar onuitstaanbare egoïsme had bijna vier levens gekost.
Druk gebarend tussen de uitdijende groep wakker geworden kadebewoners, voelde ik hoe een gevoel van extase mij bekroop. Ontegenzeggelijk verkeerde ik in de roes van de overlevende. Ik, die de dood zojuist bij de neus had genomen. Zie mij glorieus, barrevoets, met ontbloot bovenlijf in de Rotterdamse nacht. Was ik bovendien niet degene die iedereen had gealarmeerd? Het besef dat het anders had kunnen lopen, drong zich zachtjes op: amper drie maanden uit het ouderlijk huis in de Provence, 1200 kilometer zuidwaarts, en op een haar na langs een koude rivier in Noord-Europa geroosterd. Ik dacht aan de Tibetaanse mantra die ik in de gang van onze bovenwoning had geschilderd: Om ma ni pedme oem. Ik glimlachte: zo raak je alles kwijt, alles is een illusie en het besef hiervan een kostbaar geschenk.
Eén van de brandweermannen die met zichtbaar genoegen de brand te lijf gingen, zei: ’Erg, he?’ Maar ik vond het helemaal niet erg meer. Misschien waren we al onze spullen kwijt. Misschien moesten we bij de ouders van mijn vriendin intrekken. Maar mijn eerste grote Nederlandse succes was binnen: het vuur en de dood meester. Ik keek om me heen. Het zwarte water klotste met duizend monden tegen de kade. Aan de overkant, in het rijk der rijken, glinsterden de lichten van de chique Maasboulevard. En daar, aan het begin van de kade werkte de nachtploeg van de Blue Band-fabriek. Ik voelde me plotseling één worden met de Feijenoordkade, mijn nieuwe matrijs, met Rotterdam en zelfs heel Nederland. De kade als toegangspoort tot een veel groter verband dat ik tot nu toe niet had willen of kunnen betreden. Opeens was mijn Nederlands evenwichtiger. De zinnen liepen en klopten. De buren luisterden naar het relaas van mijn heldendaad. Ze waren vertederd en solidair met hun eigen Fransoos. Bezorgd zelfs en ineens toegewijd: ik kreeg een trui aangereikt. Ja, de osmose met die Rotterdamse kade met haar stank van gore margarine en haar verpauperde aanblik was nu gaande. Dit was de plek van mijn wederopstanding.
Een stukje Rotterdam vol nijverheid waar arbeiders met te veel brillantine in hun achterovergekamde haar hun salaris kwamen verdienen. Opeens waren die drie eerste deprimerende maanden vergeten. Dit lapje grauwheid en hinderlijk rumoer was mijn toegangspoort tot dit vreemde en ingewikkelde land. Hier was ik door de vlammen heen herboren. Hier zou ik veel later terugkomen om te herbronnen.
Toen ik met mijn koffer vol boeken aan de Feijenoordkade aanmeerde, wist ik dat dit nieuwe begin niet gemakkelijk zou worden. Op mijn eerste kadedag al werd ik door de blikken van de monteurs met argwaan ontleed. Pikzwart haar, volle baard: alweer een knoflookvreter. Ze spraken plat en snel; ik begreep ze amper. Allemaal werkten ze bij de Sprint-garages, links van ons, en produceerden tot een uur of zes een herrie die me deed beslissen om de goorste en zwaarste uitzendbaantjes te aanvaarden. Als ik maar niet boven dat helse kabaal hoefde te zitten. Kabaal dat het schrijven van een eenvoudig gedichtje tot een kruisgang maakte. In de middagpauze liepen de monteurs meestal naar de rand van de kade en gingen daar zitten, een rij van kromme ruggen, hun benen boven het water hangend. Met afgrijzen zag ik hoe ze met besmeurde handen botterhammen uit plastic zakjes haalden. Deze Fransman zag met eigen ogen hoe zuinigheid en functioneel eten het Nederlandse genot bepaalden. De broodkorsten gingen steevast het water op om de rondvliegende meeuwen aan de gang te houden.
Manieren hadden die monteurs nooit geleerd. Als ik af en toe een bosje bloemen voor mijn meisje meenam, wist ik wat me te wachten stond: „Joh, heb je iets goed te maken? Hé, lekker onder de plak, Fransoos!” Die ongemanierde Hollandse grofheid, die hinderlijke bemoeizucht, de boerse domheid van dat Rotterdamse plebs met smeeroliehanden, kerfden striemen van haat in mijn gezicht. Ik was meer distantie en hoffelijkheid gewend. Kwam ik niet uit de stad van Cézanne en Mirabeau, in een provincie met intens helder licht waar de uit Nederland gevluchte Vincent van Gogh zijn schildersezel had neergezet? Hier hield een fabrieksarbeider op een dag een plukje zware shag onder mijn neus en brulde: ’Ruik eens, kuthaar!’
Toen ik mijn eerste voet op onze Rotterdamse kade zette, werd ik door haar rauwe schoonheid bevangen. Rauw was vooral de ruimte die de kade begrensde, honderden vloeibare meters die zich tot aan de overkant uitstrekten. Op de rivier voeren binnenvaartuigen in een onophoudelijk komen en gaan. Later begreep ik pas hoe saai de Nieuwe Maas kon zijn als je haar kern weigert te doordringen. Ik begreep ook hoe bedrieglijk de gigantische ruimte was die onze ramen vulde. Want je kon haar nooit betreden, belopen, grijpen. Alles leek hier virtueel. De kade was sinds een eeuwigheid eraan verankerd. Veroordeeld om al deze permanente bewegingen roerloos te aanschouwen. Hoe vaak heb ik niet het gevoel gehad door de ondraaglijke wijdte in een zinsbegoocheling gevangen te zijn? Twee hoog, klein behuisd, aan een meerpaal geketend, met de rivier die in golfjes over de vensterbank stroomde.
Maar het ergste was het gebrek aan kleuren. Dat ik de helblauwe Provençaalse hemel voor de loodgrijze van deze havenstad zou inruilen, deerde me aanvankelijk niet. Ik schreef liever met de regen als metgezel. Totdat ik begreep dat een dik wolkendek, weerspiegeld in een rivier, de nieuwkomer uit het Zuiden snel in een wurggreep heeft. Hier kon je van eentonige verveling sterven. Of zelfs opgehangen worden. Wat ik toen niet wist was dat vroeger (de eerste sporen op een kaart met de naam Fyen Noort dateren uit 1648) deze kade, die in feite de kop van Feijenoord vormt, een executieterrein was. Naar verluidt kon je vanaf de overkant de galgen zien staan. Op deze zandplaat werd dieven, verkrachters en moordenaars de strop om de nek gelegd. Ze mochten nog een keer de ruimte aanschouwen. Het water traag aan hun voeten zien slenteren. Plots voelden ze hoe hun longen om lucht smeekten. Hoe hun keel vernauwde en, als hun nek nog niet was gebroken, hoe tussen hun spartelende benen een laatste erectie gloorde. Dan pas bevruchtte een laatste zaadlozing het steriele zand, misschien om de alruin te voeden. Op de plaats die later de Feijenoordkade werd, was het gereutel van de stervenden het geluidsdecor.
Na amper een week mochten we van de brandweer het huis weer in. De vloer had het gehouden. En hoewel de benedenwoning onbewoonbaar was, kraakte een mannenbroeder haar, een godvrezende middelbare man die SGP stemde en mij keer op keer kapittelde als De Waarheid ’s avonds op de deurmat viel. Maar ik moest wel mijn Nederlands aanscherpen. Met of zonder de hulp van Karl Marx en Marcus Bakker overigens.
Pas na twee jaar verliet ik de kade om mij aan de rand van de Maasstad te vestigen. Het was meer een vlucht dan een verhuizing. Ik was dan misschien op de kade herboren, maar ik moest deze groezelige moederkoek van klotsend water en margarinestank afschudden. Het was een bevrijding. Ik was immigrant af, sprak nu goed Nederlands en moest de rest van het land nog veroveren. Ik wilde niet meer aan de onbehouwen monteurs denken. Aan de kruidenier om de hoek die mij machteloos aanstaarde als ik hem om hagelslag vroeg: „Achelslaach, wat is dit nou weer?”
Op de kade was ik een beginneling die ’s ochtends vroeg, met hetzelfde pakje brood dat de monteurs uit hun overall haalden, naar de fabrieken sjouwde. Herboren, maar toch een vreemdeling als Meursault uit de roman van Albert Camus. Een nieuweling op een vroegere executieplaats die, onkundig van het eeuwige gereutel van de veroordeelden, voor even in de zinloosheid van het bestaan had gevegeteerd. Ik wilde er niet meer over praten, niet meer aan denken.
Ten onrechte.
Bijna twintig jaar later, in 1996, durfde ik de kade weer aan. Voorzichtig rijdend parkeerde ik de neus van mijn auto bijna in het Maaswater. Toen ik uitstapte, voelde ik opnieuw de euforie uit die vuurnacht. Hier was ik gevormd. Hier had ik vol trots mijn eerste Nederlandse vrienden op bezoek gehad. Hier bakte ik voor hen mijn exquise Franse quiches. Op 13a twee hoog had ik mijn eerste Nederlandse verjaardag gevierd. Mijn eerste kat, telefoonaansluiting, krantenabonnement. Hier beleefde ik mijn eerste vrijpartij in eigen huis. Vanaf de Feijenoordkade begon mijn veroveringstocht naar een nieuwe en veelzijdige identiteit, naar de Nederlandse taal.
Ik ben naar dit stukje Feijenoord regelmatig teruggekeerd. Ik bleef er nooit lang. Soms maar een paar minuten. Een enkele keer kwam ik zelfs mijn auto niet uit. Ik reed traag langs nummer 13a en wierp een blik naar links, naar het water. Lang was de kade desolaat. Het was in die tijd dat ook Martin Bril, de onvermoeibare reiziger van het Nederlandse columnisme, er langs reed. De renovatie sleepte zich voort. Alleen de voorkant van de huizen werd behouden. Jarenlang hing een bord op de dichtgetimmerde ramen: „Achter deze gevels gloort een nieuwe toekomst.” De bedenker daarvan moest een poëet in wording zijn. Martin Bril schreef in 2002: „Kasseien, onkruid, een leeg winkelwagentje. Verrotte dukdalven in het klotsende water.” Ik las het en glimlachte. Wist hij maar wat voor kracht achter de droefheid van de Feijenoordkade schuilde. Wist hij maar dat de toekomst altijd op deze kade begint.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.