In Brazilië ging tien jaar geleden 90 procent van alle nieuwbouw naar de rijkste toplaag – 10 procent van de bevolking. Na bijna acht jaar beleid onder president Lula, en dankzij de economische groei, hebben ook de allerarmsten kans op een woning.
’Een overwinning”, roept Vera Poletti. Ze heeft keihard gewerkt voor het appartement dat nu gebouwd wordt op het terrein naast haar huurwoning, in het zuiden van de Braziliaanse metropool São Paulo. Ze woont op de grens met Diadema, een van de armste en gewelddadigste wijken van de stad.
Zij en haar toekomstige flatgenoten betalen nu minstens 150 euro huur, voor één kamer en een keuken. In januari krijgen ze de sleutel en betalen dan nog slechts 60 euro hypotheekrente per maand, voor twee slaapkamers en een Amerikaanse keuken.
Nog nooit is de droom van een eigen huis voor zo veel Brazilianen waarheid geworden. Tussen 2003 en 2010 is het aantal gefinancierde woningen gestegen van 200.000 naar 700.000 per jaar. Het land heeft in diezelfde periode een constante economische groei doorgemaakt. Luiz Inácio Lula da Silva (Lula), de immens populaire president die dit jaar na tweede ambtstermijnen vertrekt, krijgt alle lof toegezwaaid. Hij wist de financiële crisis aardig te omzeilen. Onder zijn bewind zijn er bijna dertien miljoen banen gecreëerd.
Het instituut voor toegepast economisch onderzoek (IPEA) ziet gestage welvaartsgroei voor brede lagen van de bevolking. Nu zijn er nog bijna dertig miljoen mensen die het maandelijks met minder dan 100 euro moeten stellen. In 2014 zullen dat er nog 14,5 miljoen zijn, 8 procent van de Braziliaanse bevolking.
Het aantal armen daalde tussen 2003 en 2008 al met twintig miljoen. Extreme armoede (moeten rondkomen van minder dan 62 euro per maand) zal volgens het IPEA rond 2016 bijna helemaal zijn uitgebannen in Brazilië.
Wetenschappers van het economisch onderzoeksinstituut Getúlio Vargas vergeleken de huidige spectaculaire groei al met de jaren zeventig, de tijd van de militaire dictatuur. Maar die groei ging toen níet gepaard met een afname van de inkomensongelijkheid.
De huidige welvaartsgroei rust op drie belangrijke pijlers: de verhoging van het minimumloon (van 90 naar 232 euro tussen 2003 en 2010), sociale programma’s (zoals de bolsa familia, een uitkering voor de armsten), én de zogenoemde formalisering van de arbeidsmarkt.
Dat laatste wil zeggen dat steeds meer arbeid in Brazilië uit het zwarte circuit wordt gehaald. Nog zeker de helft van de Braziliaanse arbeidsmarkt is zwart en dus illegaal. Dat begint dus te veranderen.
Toen de financiële crisis zich aankondigde, schreeuwde de bouwsector direct alarm. De dreiging van massaontslag in één van de belangrijkste sectoren voor het creëren van werkgelegenheid, mocht voor geen goud realiteit worden.
Zo werd het project Minha Casa Minha Vida geboren: Mijn Huis Mijn Leven, een programma om de Braziliaanse woningmarkt een flinke impuls te geven. De overheid pompte er ruim 15 miljard euro in.
Doelstelling: in twee jaar tijd (2009-2010) één miljoen nieuwe woningen voor de onderklasse. Veertig procent daarvan, 400.000 woningen, is bestemd voor de allerarmsten. Het programma wordt waarschijnlijk uitgebreid naar twee, of zelfs drie miljoen nieuwe woningen tot 2014.
Alle partijen gingen ervoor om de tafel zitten, van de commerciële bouwwereld tot de in Brazilië alom aanwezige en actieve sociale bewegingen.
Miguel Sartre, eigenaar van bouwbedrijf Vida Nova, was er ook bij. Sartre is raadslid van het nationale fonds voor sociale woningbouw, betrokken bij het ministerie van steden en lid van de CBIC, de Braziliaanse Kamer van de Bouwsector.
„We hebben in Brazilië een tekort van 7,2 miljoen woningen”, zegt Sartre. „Negentig procent van dat tekort raakt de mensen met een inkomen van nul tot drie keer het minimumloon (232 euro). Dáár ligt het gemeenschappelijke belang van de bouwers en van de sociale bewegingen.”
Volgens de Braziliaanse grondwet van 1988 heeft iedereen recht op wonen. Sartre: „De vraag was hoe we dat werkelijkheid kunnen maken. De regering moest daarvoor echt met subsidies komen, anders valt er voor de armsten niet te bouwen. De regering heeft het goed opgepakt: de economie wordt aangewakkerd en er wordt gebouwd voor de armsten.”
Bijna een derde van alle woningbouw in 2009 werd gefinancierd door het subsidieprogramma. Contracten voor 700.000 van de 1 miljoen nieuw te bouwen woningen zijn intussen getekend en in aanbouw. Er kwamen 400.000 nieuwe banen in de bouw bij.
Eduardo Gorayeb is er dolblij mee. Hij is algemeen directeur van Rodobens, een bedrijf dat al vóór het subsidieprogramma de lagere middenklasse had gevonden, door zelf krediet te verstrekken.
Rodobens is niet de enige. De drie grootste bouwbedrijven in Brazilië richten nu al de helft van hun projecten op de lagere middenklasse (die leven van drie tot zes minimumsalarissen). Die groep is, dankzij de economische stabiliteit en het groeiende bestedingsvermogen, lucratief geworden. Tien jaar geleden ging nog 90 procent van alle nieuwbouw naar de rijkste 10 procent van de bevolking. De rest moest zichzelf maar zien te redden.
„Wij zijn al vanaf 2007 voor de groep van drie tot zes salarissen gaan bouwen, vooral in kleine steden in het binnenland”, vertelt Gorayeb. „Daar ligt nog een enorme markt, die nauwelijks wordt bediend. In 2008 dreigde die markt door de crisis stil te vallen, omdat juist deze groep zo afhankelijk is van een vast salaris. Maar de regering heeft snel en efficiënt gereageerd. Minha Casa Minha Vida heeft ons zeker gered.”
Het is dan ook niet voor niets dat de Braziliaanse Kamer van de Bouwsector zich zo lyrisch uitlaat over president Lula, lacht Evaniza Rodrigues, een van de belangrijkste leiders uit de sociale beweging die zich inzet voor het recht op wonen. „Wij zijn kritischer dan de bouwsector. Maar er vinden wezenlijke veranderingen plaats. Er is voor het eerst geld beschikbaar.”
De sociale beweging begon, met steun van de progressieve tak van de katholieke kerk, rond het einde van de dictatuur – ruim twintig jaar geleden – woningen te eisen. „Met duizenden zijn we toen publieke grond gaan bezetten”, vertelt Rodrigues. „Want na het einde van de dictatuur was er niets in de plaats gekomen van de Nationale Bank voor Woning, de BNH.”
Volgens stedebouwkundigen voerde die BNH miserabele sociale woningbouwprojecten uit, meestal ver weg in de periferie van de steden, zonder infrastructuur als openbaar vervoer. Die projecten werden vooral gezien als stimulans voor de economie.
Cidade de Deus, bekend van de film ’City of God’, is daar een bekend voorbeeld van. Begonnen als sociaal woningbouwproject in Rio de Janeiro in de jaren zestig, groeide het uit tot een gevaarlijke sloppenwijk.
In de eerste jaren na de dictatuur gebeurde er niets, op een enkel projectje na, zegt Rodrigues. „Onder president Fernando Henrique Cardoso (1995-2003) werd de hand vast op de knip gehouden. Om de economie onder controle te krijgen, werden de restricties op het verlenen van krediet steeds groter.”
Banken verstrekten geen hypotheken meer. Het was lucratiever in de staatsschuld te investeren. Rodrigues: „Rijken, die toegang zouden moeten hebben tot de hypotheekmarkt, zochten daarom krediet bij het sociaal garantiefonds FGTS, dat eigenlijk bedoeld is voor de arbeiders.” In dat fonds storten werkgevers 8 procent van elk bruto salaris. Het FGTS verstrekt uitkeringen en goedkoper krediet.
„Een van de eerste acties van president Lula verbaasde onze beweging enorm”, vertelt Rodrigues. „In 2005 veranderde hij de regels voor de banken. Die kregen meer garanties. Maar het effect was sociaal, want daarmee konden de rijken terugkeren naar de banken en kon het FGTS weer gaan functioneren zoals het was bedoeld. En met Minha Casa Minha Vida heeft de overheid voor het eerst krediet op grote schaal voor de armen ingebracht.”
Maar niet iedereen is gerust op de nieuwe situatie. Raquel Rolnik bijvoorbeeld. Ze is architect en rapporteur wonen voor de Verenigde Naties. Rolnik waarschuwt voor grondspeculatie, die de opgewarmde woningmarkt met zich meebrengt. Bouwbedrijven worden geconfronteerd met prijsstijgingen van 70 procent binnen één jaar. Met name in de steden valt niet of nauwelijks voor de allerarmsten te bouwen. Volgens de regels van het subsidieprogramma mogen die woningen maximaal 24.000 euro kosten en dat is op die locaties onhaalbaar. Miguel Sartre: „Waar gaan die armen dus noodgedwongen heen? Naar de periferie. Of ze beginnen een nieuwe sloppenwijk in de centrale delen van de stad.”
Rodrigues: „Aanvankelijk waren we bang dat er helemaal niet voor de armsten gebouwd zou gaan worden. Dat blijkt niet het geval. De doelstelling van 400.000 huizen voor de allerarmsten wordt landelijk wel gehaald. Maar die woningen worden niet in de steden gebouwd.”
Om ook de allerarmsten van woningen te voorzien moeten de sociale bewegingen zelf aan het bouwen slaan, denkt Rodrigues. „Hier in São Paulo hebben we voorgesteld om de helft van de projecten zelf uit te voeren en de andere helft aan de bouwbedrijven over te laten. Het antwoord was nee.”
Daarom zoeken de sociale bewegingen de concurrentie met de bouwbedrijven. Dat valt niet mee, verzucht Rodrigues: „Een voorbeeld: ik had in São Paulo een terrein gevonden waar we zouden kunnen bouwen voor de allerarmsten. De eigenaar aarzelde. Enkele dagen later zag ik er het bord van bouwbedrijf Rossi staan, die er nu voor de middengroep gaat bouwen.”
De bouwbedrijven houden zich strikt aan de minimumeisen die zijn gesteld voor woningen voor de armste groep: die moeten minstens 38 vierkante meter groot zijn, met een muurhoogte van 2,20 meter in de keuken. „Als je daar dan iets van zegt”, vertelt Rodrigues, „krijg je terug dat het ophogen of vergroten van de maten zo- en zoveel huizen kost. Alles gaat in cijfers. Maar inzage in hun winstpercentages krijg je niet.”
Anders is het gegaan in het woningbouwproject van Vera Poletti, die in het arme zuiden van de stad in januari haar sleutel gaat krijgen. De acht woontorens, die al verrijzen te midden van de chaos van zelf gebouwde en volstrekt illegale woningen, worden gebouwd met honderd procent transparantie voor de toekomstige bewoners.
Poletti en haar drie zussen hebben daar zelf voor gezorgd, door acht jaar geleden de koppen bij elkaar te steken en de nodige instanties te benaderen. Ze kregen in 2007 ’solidair krediet’ via staatsbank Caixa Economica. De woningen gaan 13.500 euro per stuk kosten en meten 52 vierkante meter, inclusief balkon.
De uitvoering is in handen van een door hen gecontracteerd bouwbedrijf en een architectenbureau. De kosten worden gedrukt doordat alle bewoners alle weekeinden meehelpen met stenen en cement sjouwen.
Zus Vani is voorzitter van de associatie Mohas – beweging voor woning en sociale actie – die drie woningbouwprojecten in de arme periferie van São Paulo heeft lopen. Het meest recente van 240 woningen, dat alleen nog op papier bestaat, wordt via Minha Casa Minha Vida gefinancierd. Vani Poletti: „We kunnen eindelijk over een eigen huis dromen. Dat is een gigantische vooruitgang.”
Maar de werkelijkheid in São Paulo staat voor de meesten toch nog ver af van een oplossing. Volgens Elisabete França, verantwoordelijk voor de sociale woningbouw van São Paulo, leven er in die stad nog drie miljoen mensen in ellendige omstandigheden. Ze zijn verdeeld over 1500 sloppenwijken, 1100 illegale terreinen en 2000 vervallen gebouwen. De programma’s van de gemeente bereiken momenteel 150.000 families.
In het kader van Minha Casa Minha Vida worden in São Paulo vijfduizend woningen gebouwd. Toch verwacht França dat ook São Paulo, als de economische groei aanhoudt, binnen enkele jaren de ergste nood oplost. „Dat geloof ik echt. Maar vergeet niet dat we nog altijd in een arm land wonen, waarin een derde van de bevolking (35,5 procent volgens recent onderzoek door het Braziliaans bureau voor de statistiek, red.) naar eigen zeggen nog niet altijd voldoende te eten heeft.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.