Als Wilders zijn islamofobe opvattingen mag blijven verkondigen, is Rutte geen geloofwaardige premier.
De laatste weken wordt onder meer in Trouw, en in het bijzonder in CDA-kring, een verhitte discussie gevoerd over de wenselijkheid van een CDA- en VVD-kabinet, in samenwerking met een gedogende PVV. Zoals blijkt uit het artikel ’Wat is dat, de rechtsstaat?’ in Trouw van 18 augustus, is de rechtsstaat daarin een ’buzzwoord’. Voorstanders stellen vaak dat onze robuuste rechtsstaat geen gevaar loopt zolang er met Wilders maar duidelijke afspraken worden gemaakt; veel tegenstanders vrezen juist voor een afkalving van de rechtsstaat en een ondermijning van sommige grondrechten, als deze coalitie er komt.
Die discussie over de rechtsstaat heeft een hoog abstractieniveau en leidt tot veel geharrewar. Door de term ’rechtsstaat’ zoveel mogelijk te vermijden, lijkt het debat aan scherpte te kunnen winnen en kunnen de daadwerkelijke problemen van de huidige politieke ontwikkeling tastbaarder worden gemaakt.
Een belangrijk probleem met de gedoogcoalitie is heel concreet: de onmogelijkheid van Rutte om in die constellatie premier van alle Nederlanders te zijn. Want hoe moet Rutte gaan opereren, wanneer de discriminatie van moslims toeneemt, of islamitische instellingen en individuele moslims te maken krijgen met uitingen van geweld? In het huidige, sterk gepolariseerde klimaat is dat geen ondenkbaar scenario.
Enkele maanden geleden blikte demissionair premier Balkenende in ’De wereld draait door’ terug op de voor hem meest gedenkwaardige momenten als premier van Nederland. Hij verwees toen naar zijn optreden naar aanleiding van de reeks van aanslagen op tal van moskeeĆ«n, islamitische scholen en kerken in de turbulente dagen en weken volgend op de gruwelijke moord op Theo van Gogh op 2 november 2004.
Zo bracht hij op 9 november 2004 een bezoek aan het Brabantse Uden, alwaar de islamitische basisschool Bedir geheel in de as was gelegd. Op dat moment heeft Balkenende indringend ervaren wat het betekent om premier van alle Nederlanders te zijn. Zijn getoonde betrokkenheid bij degenen die het meest door deze geweldsgolf na de moord werden getroffen, het islamitisch deel van de bevolking van Nederland, heeft destijds aan de depolarisatie en deƫscalatie kunnen bijdragen.
Het is inmiddels duidelijk dat Wilders en de PVV geen enkele moeite hebben met het stelselmatig discrimineren van mensen op basis van hun geloof (de islam). Los van alle uitspraken die Wilders in de afgelopen jaren heeft gedaan, maakt het verkiezingsprogramma van de PVV dit glashelder. Over fysiek geweld tegen minderheden, waar de PVV tegen is, heeft Wilders zich wel eens dubbelzinnig uitgelaten: „Mocht het ooit tot rassenrellen komen, wat ik dus echt niet wil, dan hoeft daarvan niet bij voorbaat een negatieve werking uit te gaan”, zei hij in februari 2004 in HP/De Tijd.
Een premier behoort in staat te zijn zich boven de partijenbelangen te verheffen (ongeacht de coalitie waarvan hij deel uitmaakt) en er voor alle Nederlanders te zijn. Maar in deze constellatie is die mogelijkheid om zich te verheffen al bij voorbaat uitgesloten. Die onmogelijkheid laat zien dat veel tegenstanders van de huidige gedoogconstructie zich terecht zorgen maken.
De coalitie die in de maak is, is gebaseerd op de aanvaarding van een fundamenteel verschil van mening over de vraag of discriminatie van een grote groep Nederlanders op grond van hun geloof is toegestaan. Op zo’n fundamenteel verschil van mening dat de samenleving doet scheuren, kan geen regering worden gebouwd die boven de partijen kan staan op de cruciale momenten. Dat valt niet alleen het buitenland niet uit te leggen, het valt ook je eigen kinderen niet uit te leggen.
Wouter Veraart, Jan Hallebeek en Bart van Klink zijn hoogleraren aan de afdeling rechtstheorie en rechtsgeschiedenis van de faculteit der rechtsgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.