*

 

Sterven in schoonheid

Cees van der Laan − 26/08/10, 00:00

Jeugd en Gezin, en Wonen, Wijken en Integratie, de kindjes van het vorige kabinet, zullen verdwijnen. Wat brachten ze ervan terecht en wat komt er voor in de plaats?

Partijen als VVD, CDA en PVV hebben de programmaministeries van wonen, wijken en integratie én jeugd en gezin nooit zien zitten. Ze zullen er geen traan om laten dat deze tijdelijke ’projecten’ sneuvelen in de formatie tussen deze partijen.

Het CDA ging bij de vorige kabinetsformatie in 2006 wel akkoord met de plannen van PvdA en ChristenUnie voor deze programmaministeries, maar bemoeide zich niet of nauwelijks met deze politieke en ambtelijke ’nieuwlichterij’. De christen-democraten wisten als ervaren bestuurders dat het op- en inrichten van een nieuw ministerie veel kostbare tijd en energie zou kosten. Bovendien zou het afbreukrisico voor de bewindspersonen groot zijn.

PvdA en ChristenUnie (CU) namen dan ook een aanzienlijk risico door de klassieke, departementale structuur te willen doorbreken met twee tijdelijke ministeries. Beide partijen meenden dat de problemen met integratie, achterstandswijken, opvoeding en jeugdzorg niet meer op de gewone manier konden worden aangepakt. Die hielp namelijk niet voldoende, was de analyse.

De achterstandswijken dreigden gevaarlijke getto’s te worden, waarschuwde oud-minister Winsemius. De wachtlijsten in de jeugdzorg bleven maar groeien, terwijl ernstige incidenten met kinderen, ondanks de bemoeienis van talloze instanties, het failliet van de sector bewezen. Er was daadkracht nodig, focus op de problemen, met ministers die van wanten wisten.

Is de beslissing van de CU en de PvdA verstandig geweest? Die vraag kan niet met een duidelijk ja of nee worden beantwoord. Doel was de problemen met integratie en gezinnen extra aandacht te geven. Een oplossing van deze problemen zonder hervorming van de betrokken departementen leek niet mogelijk. De programministeries konden hun aandacht volledig richten op de problemen, en verkokering en bureaucratie doorbreken. De ChristenUnie kon met Jeugd en Gezin een verkiezingsbelofte waarmaken om meer aandacht te schenken aan gezinnen; datzelfde gold voor de PvdA met betrekking tot de integratie en de achterstandwijken, waar hun klassieke achterban zou zitten of had gezeten.

Het oprichten van de programministeries had inderdaad tot gevolg dat er een hoop tijd en energie ging zitten in de opstartfase. Tussen een groot aantal ministeries werd geschoven met geld, ambtenaren en afdelingen. Regelgeving en wetten moesten worden aangepast. ’Wonen, Wijken en Integratie’ werd ondergebracht bij het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu. ’Jeugd en Gezin’ trok in bij het departement van volksgezondheid, welzijn en sport.

Wonen, wijken en integratie kende een beroerde start. De toenmalige minister Ella Vogelaar (PvdA) belandde in een loopgravenoorlog met de woningbouwcorporaties die volgens het kabinet miljarden extra op tafel moesten leggen voor investeringen in de wijken. De corporaties vonden dat aanvankelijk niet hun taak.

Ook ontstond er een groot publicitair conflict met de gemeenten over de vraag welke wijken wel en welke niet tot de veertig Vogelaar-wijken moesten gaan behoren. Bovendien bleek de nieuwe Inburgeringswet van haar voorganger Rita Verdonk in de praktijk niet te werken. Er werden in het begin nauwelijks cursussen meer gegeven. Gemeenten lieten het er lelijk bij zitten, vooral Amsterdam. Daarnaast kreeg ze ruzie met haar politiek leider Wouter Bos. Eerst over geld, vervolgens over haar functioneren.

Haar opvolger Eberhard van der Laan wist wel rust te creëren, maar moest zijn aandacht verdelen over de huren, de inzakkende woningmarkt en de krimpregio’s. Dit laatste onderwerp zette hij zelf persoonlijk op de agenda. Hij stelde stilletjes het beleid rond de veertig wijken van Vogelaar bij. Van der Laan meende dat veel meer wijken in aanmerking kwamen voor aandacht en geld. Zodoende moest het geld over meer wijken worden verdeeld. Overigens waren gemeenten en wijkbewoners zeer content met de extra aandacht uit Den Haag.

Minister van jeugd en gezin André Rouvoet pakte de zaken aanvankelijk voortvarend aan. In tegenstelling tot Vogelaar had de ChristenUnie-voorman op papier wel geld, miljarden zelfs, én ambtenaren, al moest hij een gevecht leveren met collega-ministers om die ambtenaren en dat geld onder zijn verantwoordelijkheid te krijgen. De opstartfase kostte daardoor veel tijd en energie.

Rouvoet liep inderdaad tegen ambtelijke barrières aan en de wijze waarop bijvoorbeeld de jeugdzorg in Nederland via gemeenten en provincies was georganiseerd. Maar omdat hij geld had, kreeg hij ze uiteindelijk mee. Hij pompte veel geld in het wegwerken van de wachtlijsten. Zijn Centra voor Jeugd en Gezin werden aanvankelijk met veel scepsis in de politiek ontvangen. Weer een loket erbij, zo was de reactie op de centra voor laagdrempelige zorg, opvoedingsadvies en doorverwijzingen.

Rouvoet had twee voordelen ten opzichte van zijn collega op Wonen, Wijken en Integratie: hij was vice-premier, waardoor hij in de coalitie meer invloed en macht had. Ook de vele instanties in de sector en hulpverleners waren ervan overtuigd dat veranderingen noodzakelijk waren. Hoewel hij ver kwam, slaagde hij er niet in de politieke en bureaucratische barrières te doorbreken.

In de politiek ontstonden steeds meer twijfels of de jeugdzorg niet ingrijpend hervormd moest worden. De verantwoordelijkheid moest bij de gemeenten komen te liggen, meenden steeds meer fracties, instanties en adviseurs. Rouvoet voelde daar weinig voor, omdat een stelselherziening de sector voor jaren zou verlammen. Dat de Tweede Kamer begin dit jaar een eigen onderzoek startte naar de problemen was een signaal dat de politiek geen vertrouwen meer had in zijn aanpak. Uiteindelijk gooide Rouvoet begin dit jaar de handdoek in de ring: een stelselherziening was onvermijdelijk om de problemen echt te kunnen oplossen.

Diverse instanties en onderzoeksbureaus hebben zich beziggehouden met de vraag of deze twee ministeries nuttig en nodig zijn. De reacties waren gematigd positief. In het onderzoek ’De koning van het schaakbord of Jan zonder land?’ concludeerde het onderzoeksbureau Berenschot begin dit jaar dat de programmaministeries ’een duidelijke meerwaarde hebben gedemonstreerd’. Dit was het gevolg van de extra aandacht die de ministeries konden geven aan de betreffende beleidsterreinen. De Raad voor het Openbaar Bestuur meende dat ook in de volgende kabinetsperiode programmaministers moesten komen, omdat ze problemen op een slagvaardige wijze konden aanpakken.

Rouvoet kreeg steun van de Nationale Ombudsman, Alex Brenninkmeijer. „Gegeven het feit dat de jeugdzorg zo geweldig gefragmenteerd is en ook daadwerkelijk niet goed functioneert, moet er een kracht zijn die de partijen bij elkaar brengt. Coördinatie van de jeugdzorgmachinerie is heel wezenlijk. De programmaminister was op weg om dat beetje bij beetje voor elkaar te krijgen’’, meende Brenninkmeijer.

Ondanks deze prijzenswaardige woorden zullen de ministeries in schoonheid sterven. De rechtse coalitiepartijen moeten bezuinigen en willen minder departementen. De twee programma-ministeries doen hen waarschijnlijk te veel denken aan het van oudsher linkse idealisme, dat de samenleving maakbaar zou zijn.

Een interessante ontwikkeling is dat de aspirant-coalitie de slagvaardigheid van een inkrimpende overheid wil vergroten door thema-ministeries in te richten. Zo moet er een ministerie van veiligheid komen (een samenvoeging van Justitie en grote delen van Binnenlandse Zaken) en een ministerie van bedrijvigheid (Landbouw en Economische Zaken). Vrom en Verkeer en Waterstaat moeten samengevoegd tot het ministerie van ruimte. In de verte doet deze aanpak toch ook weer denken aan de programma-ministeries.

mailIcon print |