Texelse biologen brengen jaarlijks al het leven in de droogvallende wadbodem in kaart. „Een monsterklus inderdaad. Mijn lol haal ik uit dat ene goudkammetje, tussen al die gewone kokerwormpjes”, zegt onderzoeker Sander Holthuijsen.
De Waddenzee bij windkracht 7 in een rubber motorbootje is geen pretje. Als Sander Holthuijsen, onderzoeker van het Koninklijk Nederlands Instituut voor Zeeonderzoek, het NIOZ op Texel, de boot naar een vooraf vastgesteld coördinaat stuurt, stuitert de bodem met veel geweld op de korte golven. „Toch is het vanuit een boot bij hoog tij handiger werken dan lopend over de drooggevallen platen”, vindt Holthuijsen. „De monsterpunten liggen 500 meter uit elkaar; als je dat allemaal moet lopen ”
Wanneer de GPS 53’15”15 noorderbreedte en 5’26”31 oosterlengte aangeeft gaat de motor uit en gooit Holthuijsen het anker overboord. „Welkom boven de Ballastplaat!” Uit alle hoeken en kieren van de rubberboot komen ineens onderzoeksinstrumenten om aan het echte werk te beginnen. Aan het uiteinde van een lange paal zit een holle koker met een luchtslang er aan vast. Als de onderzoeker de koker enkele decimeters in de grond heeft gestoken, een krappe meter onder de waterspiegel, sluit hij een kraan aan het andere einde van de luchtslang. De koker is hiermee luchtdicht afgesloten, waardoor hij met bodemmonster en al aan boord kan worden getrokken. Via een fijnmazige zeef verdwijnen zand en slib weer in de zee en blijven schelpen, wormen en andere diertjes achter.
„We bemonsteren de bovenste vier centimeter altijd apart. Dat is de laag waar de vogels het makkelijkst bij kunnen”, legt Holthuijsen uit. In dat bovenste laagje zitten op deze plek, behalve een hoop lege schelpjes, één dikke kokkel en één minuscuul nonnetje, ook een schelpdiertje. De diverse wormen in de rest van het monster zijn talrijker: drie dikke wadpieren, minimaal dertig flinterdunne draadwormen, een stuk of tien kokerwormpjes en één zeerups. „Die zeerups is een geschubd wormpje dat in de verlaten huisjes van de kokerwormen leeft. Omdat kokerwormen veel sediment vasthouden creëren ze sowieso een heel eigen ecosysteem om zich heen.”
De verschillende monsters verdwijnen in aparte plastic zakjes of potjes. In een buisje wordt nog een hap zand en modder gedaan. „Daarmee gaan we de korrelgrootte van de bodemdeeltjes bepalen, om te meten of de bodem zandig is of van veel fijner slib”, zegt Holthuijsen terwijl hij de motor weer start. 500 meter verder gaat het anker weer overboord voor exact dezelfde routine. Daar komt ook een worm omhoog waar Holthuijsen van opveert. „Mijn collega’s verklaren me een beetje voor gek, maar dit vind ik een van de mooiste beesten van de wadbodem: de gestippelde dieseltreinworm. Het is een geel beestje van tien centimeter lang met allemaal mooie donkere vlekjes op zijn lijf, alsof hij uit honderd wagonnetjes bestaat.”
Na ruim een uur werken op vijf monsterpunten vertelt de kapitein van het moederschip, de Navicula, over de portofoons dat de wind is aangetrokken tot 8 Beaufort. Er verschijnen ook dikke buien op de radar. Als eindverantwoordelijke voor de vier monsterteams roept hij iedereen terug. Met een mengeling van opluchting en een beetje frustratie treffen de onderzoekers elkaar op het schip. Aan de wand van de ruimte waar alle monsters in de vriezer worden bewaard hangt een kaart met een enorme massa stipjes. „Die paar honderd gekleurde stipjes hebben we gedaan”, zegt Holthuijsen. „Die andere moeten nog. In totaal moeten we bijna 5000 punten doen: alle platen die bij laagwater droogvallen, om de 500 meter een punt. Gemiddeld doen we 100 punten per dag. Maar ja, iedere zomer heb je wel een paar dagen dat je helemaal verwaait, dan kun je even niks.”
Het monsterproject van het NIOZ loopt nu voor de derde zomer. „Het is ooit begonnen als een puur vogelproject”, vertelt Anne Dekinga, samen met Holthuijsen de leider van het project. „Eigenlijk wilden we vooral weten wat er over de jaren op bepaalde platen aan vogelvoer in de wadbodem zit en hoe dat verandert onder invloed van bijvoorbeeld visserij, verzanding, voedingsstoffen in het water, of wat voor andere oorzaak dan ook. Drie jaar geleden sloot de Nederlandse Aardoliemaatschappij, de NAM, zich bij het project aan. Die willen weten wat er mogelijk in de wadbodem verandert onder invloed van de bodemdaling door gaswinning. Vanaf dat moment bemonsteren we echt alle droogvallende platen. De NAM betaalt de oostelijke helft van het wad, het programma Zee- en Kustonderzoek van de nationale onderzoeksfinancier NWO betaalt de westelijke helft.”
Na drie zomers is het nog te vroeg voor conclusies over de lange termijn. Toch kunnen de biologen wel een algemeen beeld schetsen. „De Waddenzee is tegenwoordig vooral veel zandiger dan vroeger”, zegt Dekinga. „In het westelijk wad heb je geen grote mosselbanken meer die het fijne slib vasthouden. En op zandige bodems vestigen zich ook niet zo makkelijk nieuwe schelpdieren, dus dat systeem houdt zichzelf in stand. Schelpdieretende vogels zoals de kanoet hebben het dan ook slecht op het wad. Wormeneters als de rosse grutto of de drieteenstrandloper komen op de zandige platen wel veel beter aan hun trekken.”
Voor het probleem van de ’verzanding’ van het wad zou de Japanse oester nog wel eens een onverwachte zegen kunnen betekenen, denkt Holthuijsen. „In eerste instantie schreeuwde iedereen moord en brand over de opkomst van de exotische oester waar geen vogel iets mee kan. Maar nu zien we op steeds meer plaatsen dat oesterbankjes worden overwoekerd door mosselen. Misschien staan de Japanse oesters straks wel aan de basis van de terugkeer van de mosselen, wie weet.”
Ook de Amerikaanse zwaardschede, een andere exoot, houdt de gemoederen aardig in beroering. „Vorig jaar zagen we ineens heel veel zwaardschedes”, vertelt Dekinga. „Er werd toen ook van verschillende kanten geroepen dat dit goed alternatief voer zou zijn voor de eidereenden, bij gebrek aan mosselen. Maar dat was toch wat te vroeg gejuicht, want na de afgelopen winter vinden we vooral dode zwaardschedes.”
De volgende dag worden de vier monsterduo’s van het NIOZ per boot afgezet op een drooggevallen plaat, net ten oosten van het eilandje Griend. De wind is nog te hard voor een rondje monsteren vanuit de boot. In slagorde trekken de ploegjes in vier lijnen, 500 meter uit elkaar, naar het noorden. Holthuijsen geniet met volle teugen als hij een bijzonder kokerwormpje in zijn zeef ontdekt.
„Het is negen weken doorbuffelen, maar zo’n goudkammetje maakt je dag toch goed. De komende winter zitten we weer dagen binnen, achter de microscoop om alle monsters uit te zoeken, te tellen, te wegen en alles op naam te brengen.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.