We trokken ons légère zomerjasje aan, Italiaans linnen, en daaronder een hagelwit hemd, want het reisdoel was de Landgoedfair in de Heerlijkheid Mariënwaerdt – een idylle in de Betuwe. Wat een Landgoedfair precies was wisten we niet, maar het vermoeden bestond dat men er in de regel gesoigneerd verschijnt, Frans spreekt, en in een Landrover of een Jaguar rijdt.
Ik arriveerde per trein, dat wil zeggen, het tramstel van Arriva stopte in een maisveld bij het plaatsje Beesd, dat ik op deze plaats al eerder mocht bezingen vanwege het prachtige profiel dat het de gebruikers van de A2 biedt.
Er stond een pendelbusje klaar, waar ik met vijftien andere dames in stapte. We reden een stukje tot we de poort tot de Heerlijkheid passeerden en in de file stonden tussen de notebomen. Want het was druk, er schoof een lange rij blik over de lange, eerbiedwaardige laan en ik kon me niet voorstellen dat het hier alleen om Franssprekende landgoedeigenaren ging.
Ze hadden op een Fair al eens vijftigduizend bezoekers gehad, vertelde een jonge vrouw van de PR die me een snelle rondleiding gaf. Negenhonderd hectare groot was het uitgestrekte goed, en nog steeds in particulier bezit van een adellijke familie, aangevoerd door de 83-jarige Otto W.A. baron van Verschuer, die het beheer aan zijn kinderen had overgedragen.
Landgoed, zo zag ik op de Fair, staat niet alleen voor adel, maar ook voor een lifestyle die ambachtelijk goede spullen voorschrijft, en even ambachtelijk goed eten. Ik flaneerde onopgemerkt (Italiaans zomerjasje) tussen de bijgebouwen, de oude boerderijen, de hooimijten, het koetshuis en de schuren, en zelfs een deel van het oude landhuis was voor speciale rondleidingen toegankelijk – dochter Otteline had zelf achter de inschrijvingstafel plaatsgenomen.
Ik kreeg er een boekje waarin barones Otteline de familiegeschiedenis had beschreven en dat opende met de zin: ’Wij zijn bevoorrecht om op deze mooie plek te mogen wonen’. En mooi was het er zeker.
Naast de monumentale gebouwen waren op het terrein talloze witte tenten verschenen waarin de standhouders hun waren aanboden en gezien de dracht van de bezoekers ging de belangstelling vooral uit naar laarzen van het merk Duparry. Ik proefde huisgemaakte chutneys, jams en curds uit potjes die een kapje droegen en was net op tijd voor een demonstratie ganzen drijven met bordercollies. Nieuw was het hindernisparcours voor alpaca’s, een lamasoort die, zo begreep ik, een wol levert die geldt als ’de Rolls Royce onder de wolsoorten’. Een Landrover liet zien hoe hij over het dak van een lodge kon rijden. Het praktische nut ervan ontging me, maar duidelijk was dat hier nog veel te leren viel over het goede leven en over goede smaak.
In het magazine Heerlijkheid, een uitgave van het landgoed, las ik een column van de baron. Hij schreef over zijn moestuin: ’De plek waar ik waarschijnlijk de meeste uren van mijn leven heb doorgebracht’.
Daarin lag een diepere zin. Een landgoed begint in de eigen tuin.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.