De belangstelling voor woongroepen is nog steeds groot. Stichting Timon opent binnenkort haar twaalfde groep, waarin behalve de kernbewoners ook jongeren worden opgenomen die extra steun nodig hebben. „Ook na 25 jaar is het nog geen probleem om geschikte mensen te vinden.”
Dit najaar wordt een droom van Marko en Hanneke Roelofsen werkelijkheid. Dan verruilt het jonge echtpaar met baby zijn huidige appartementje voor een woning in een woongroep. Samen met vier andere stellen en drie singles gaan zij samenleven en daarbij zes jongvolwassen ’meewoners’ vrijwillig ondersteunen. Een van hen is een tienermoeder. „We worden geen hulpverleners, maar goede buren die samen dingen gaan doen”, zegt Marko Roelofsen. „Sommigen vinden dat idealistisch. Voor ons is het geen groot offer. Wij vinden het leuk om op deze manier ons leven te delen met anderen.”
Tegen de heersende trend van het individualisme in, is er een groeiende groep mensen die er voor kiest om in een woongroep te leven én daarnaast belangeloos een jongere medebewoner te helpen. Vijfentwintig jaar geleden begon Stichting Timon voor het eerst een dergelijke woongroep: een woon- en leefverband waarin naast vaste bewoners ruimte is voor jongvolwassenen van 18 tot 30 jaar, zogenaamde meewoners, die tijdelijk een sociaal netwerk en professionele begeleiding nodig hebben op weg naar volledige zelfstandigheid. De vaste bewoners, kernbewoners genoemd, bieden het sociale netwerk, structuur en veiligheid en helpen de jongeren met praktische zaken. De professionele hulp komt van een ambulant begeleider van Timon Jeugdzorg.
Het aantal woongroepen groeit gestaag. Dit najaar opent de twaalfde woongroep van Timon haar deuren in de Utrechtse nieuwbouwwijk Leidsche Rijn. „Zelfs na 25 jaar is het over het algemeen geen enkel probleem om geschikte mensen te vinden”, zegt Sjoerd Poorta, die de kernbewoners coacht. „Het zijn bevlogen mensen die een warm hart hebben voor jongvolwassenen. Naast hun werk en gezin geven zij bewust prioriteit aan gastvrijheid. De christelijke levensovertuiging is hun drijfveer om ruimte te maken voor anderen.”
Poorta ziet nieuwe, soortgelijke initiatieven. „Maar ik zie ze soms ook snel weer verdwijnen. De behoefte aan dit soort gemeenschappen is wel aanwezig in de maatschappij, maar de prijs die er voor moet worden betaald – veel energie en weinig privacy – is voor velen te hoog. Bij onze woongroepen is er een goede balans tussen privacy en het samenleven. Ieder heeft zijn eigen voordeur.”
Het unieke van dit concept is volgens regiomanager Jaap Meerveld de combinatie van de professionele hulp aan de jongeren en het contact met de vaste bewoners. „De jongeren wonen niet in een instelling, maar doen mee aan het gewone leven. Ze zijn gelijkwaardig aan de kernbewoners. Hun buren kunnen rolmodellen zijn voor hen. Hun omgang is heel natuurlijk. Vindt een jongere het bijvoorbeeld moeilijk om alleen te gaan sporten, dan kan een kernbewoner meegaan. Voor de jongere is de woongroep een veilige plek om te leren, te oefenen en te kijken of zelfstandig wonen haalbaar is. De meeste jongeren maken die stap.”
De hulp aan de jonge ’meewoners’ wordt gefinancierd vanuit diaconieën, de AWBZ en de WMO. Maar sinds de psychosociale hulp niet langer vanuit de AWBZ wordt bekostigd, staat die hulp onder druk. Steeds vaker moet Timon een beroep doen op de gemeenten. Van Meerveld: „Deze jongeren hebben geen ernstige psychiatrische problematiek, maar ze kunnen ook nog niet zelfstandig wonen. Het is steeds zoeken naar de juiste vorm van financiering. Help je ze niet, dan vallen ze tussen wal en schip.” Hanneke en Marko Roelofsen gaan zich helemaal settelen in de Utrechtse woongroep. „We willen ons kind juist iets meegeven door in een woongroep te wonen. Het is goed om mensen tegen te komen die je zelf niet zou hebben uitgezocht in je vriendenkring. Als zij er niet zijn, mis je hun geluid.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.