De vleermuis, het enige vliegende zoogdier, heeft last van een slecht imago. Op de Europese Nacht van de Vleermuis moeten de bezoekers ervaren dat de dieren helemaal niet in hun haren gaan zitten en dat de hals gewoon bloot kan blijven.
Vleermuis kijken is net als het WK voetbal. Als je het spelletje niet begrijpt, is er niks aan. Wie de vleermuis ziet als een fladderaar die in de schemer het terras passeert, zal de schouders ophalen. Maar wie de wendingen interpreteert als de bewegingen van een voetballer, zal avond aan avond aan het firmament gekluisterd zitten.
Herman Limpens is al dertig jaar fulltime vleermuisgek, zegt hij zelf. Als student biologie verdiepte hij zich in deze vliegende zoogdieren. De soorten hebben hem niet meer losgelaten. Als wetenschapper én beschermer heeft hij zich in en buiten Nederland verdiept in de vleermuis. Hij was leider van het ’vleermuisatlas-project’ in 1997 toen met 600 vrijwilligers voor het eerst de in Nederland voorkomende soorten in kaart werden gebracht.
Door die registratie heeft Limpens goed zicht op de ontwikkeling nu. „Met sommige soorten gaat het goed. De baardvleermuis, de franjestaart en de grootoorvleermuis, die overwinteren in groeven en ijskelders, doen het prima.
In de tweede helft van de vorige eeuw verging het deze soorten minder. Het gebruik van landbouwgif als DDT was desastreus. Door insecten te eten die met het gif in aanraking waren gekomen, raakten ook de vleermuizen aangetast. Vleermuizen leven lang, ze kunnen dertig jaar worden en het DDT stapelde zich laag voor laag in hun lichaam op. Ze krijgen maar één jong per jaar. Door het gif kwam het niet meer tot zwangerschappen.” DDT is al lang verboden, maar door de lange levenscyclus van de vleermuis en de geringe voortplanting, komt het herstel traag op gang.
Behalve het terugdringen van het landbouwgif, heeft ook het verbod op pesticiden voor de bestrijding van boktor en schimmels op kerkzolders positieve effecten. „Vleermuizen verblijven graag op zulke zolders, maar legden het loodje door de bestrijdingsmiddelen. Tegenwoordig pakken we de boktor gericht aan en heeft ook de vleermuis weer een kans.” Tenslotte heeft ook de herinrichting van Nederland de vleermuisstand een zetje gegeven. Het landschap is natuurlijker geworden, wat een toename van het aantal insecten tot gevolg heeft.
Maar met de laatvlieger, een echte gebouwenbewoner die grote insecten eet, gaat het ronduit slecht. Twintig jaar geleden zag je hem nog op elke straathoek fladderen. „Je kunt hem de huismus van de vleermuizen noemen. Hij was veelvoorkomend, zat in alle gaten en kieren van huizen, maar je ziet hem bijna niet meer. Dat komt door het afdichten van nieuwe woningen én de ontwormingsmiddelen die in de veeteelt worden gebruikt. De laatvlieger moet het hebben van insecten die op mest afkomen, maar als de mest nagenoeg steriel is, laten de insecten die links liggen. Hetzelfde geldt voor de gewone dwergvleermuis en de rosse vleermuis, die het moeten hebben van moeras. Er is zoveel drooggelegd in Nederland.”
Limpens probeert door voorlichting aan publiek (’Wist je dat je vleermuizen kunt aaien?’), en beleidsmakers ruimte te krijgen voor ’zijn’ vleermuizen. Dat heeft effect. Vroeger werd hij gebeld met de vraag hoe een aannemer bij een verbouwing van vleermuizen kon afkomen. Tegenwoordig vragen ze: hoe kunnen we verbouwen zonder ze te storen?”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.