Groter kan de discrepantie niet zijn. De watersnoodramp in Pakistan is wat betreft het dodental weliswaar veel kleiner dan de tsunami van 26 december 2004, wat betreft het totale aantal getroffenen zijn ze vergelijkbaar. Voor de tsunamislachtoffers werd het recordbedrag van 208 miljoen euro opgehaald via giro 555. Voor de ellende in Pakistan wordt (nog) geen nationale inzameling gehouden.
Volgens Farah Karimi, directeur van Oxfam Novib en ook voorzitter van de Samenwerkende Hulporganisaties (SHO), is onduidelijk of de opbrengsten opwegen tegen de kosten van een grote actie. Eind deze week moet blijken of een onderzoek naar de geefbereidheid van de Nederlanders een nationale actie rechtvaardigt. Voorlopig hangt ’Nederland’ nog niet aan de telefoon bij de hulporganisaties.
Dat wil niet zeggen dat er niets gebeurt. SHO-lid Unicef Nederland doet gewoon mee aan de internationale oproep van Unicef International om 47 miljoen dollar te geven voor de 6 miljoen kinderen die door de overstromingen zijn getroffen. Dat bedrag is goed voor de eerste drie maanden noodhulp. Dat er geen actie is, zegt ook niets over de beschikbaarheid van hulpgoederen. Organisaties hebben overal in de wereld depots met hulpgoederen waaruit geput kan worden als zich een ramp voordoet. In het geval van Unicef is er een groot depot in Kopenhagen. Die goederen die daar liggen, gaan naar Pakistan. Donaties aan noodhulporganisaties zijn dan ook meestal gericht op het aanvullen van de noodhulpvoorraden.
Voor de wederopbouw geldt een ander verhaal. De daarvoor benodigde hoeveelheid geld is veel groter dan voor noodhulp, en dat geld ligt niet klaar. In die zin kan er na de zomervakantie altijd nog een grote actie komen. Alleen heeft die als nadeel dat niet meer geteerd kan worden op de eerste emoties die een nationale actie tot een succes maken.
Vergeleken met de tsunami van 2004 zijn er veel verschillen. De tsunami op zichzelf was een fenomeen dat in Nederland nauwelijks bekend was. Onder de slachtoffers waren ook Nederlanders die met vakantie waren in bijvoorbeeld Thailand.
Op het lijstje van 34 nationale acties (de toptien staat in de grafiek rechts) valt op dat rampen die van de ene op de andere dag toeslaan meer geld genereren dan sluipende rampen. Watersnood in Azië, anders dan de tsunami, komt vaak voor sinds de SHO aan de gezamenlijke acties begon. De drie acties voor Bangladesh kwamen nooit hoger uit dan grofweg 7 miljoen euro. De actie in 2005 na een aardbeving is met een opgehaald bedrag van 42 miljoen euro de hoogst scorende in deze regio.
In dat bedrag zit overigens een bijdrage van 2 miljoen euro van de overheid. Op dit moment, bij de vorming van een kabinet, kan bij een actie nog niet echt op een verdubbeling worden gerekend middels een bijdrage van de overheid.
Het simpelweg openstellen van giro 555 is geen optie zonder nationale actie. Met het openen van 555 treedt ook een omvangrijke bureaucratie in werking. De acht vaste deelnemers en negen gastdeelnemers van de SHO moeten het eens worden over een verdeelsleutel. Ze moeten hun medewerkers extra belasten met onder meer onderzoek naar de effectiviteit van de hulp en het schrijven van verantwoordingen.
Veel extra inzet, die alleen zin heeft als een nationale actie veel oplevert. Hoe rampzalig dat voor de Pakistaanse slachtoffers ook is, dat gebied heeft – zo erkennen ook medewerkers bij hulporganisaties – niet de hoge ’aaibaarheidsfactor’ die hulpeloze Haïtianen na de aardbeving dit jaar wel hebben.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.