Het hebben en uitdragen van een mening was in het Nederland van de negentiende eeuw een voorrecht dat vooral was voorbehouden aan de elite. In Groot-Brittannië was dat anders, blijkt uit een studie van Jaap van Rijn, die zich verdiepte in de geschiedenis van debatingclubs.
Verheffend is het niet altijd. Zeker op internetsites met reageerfunctie waar geregeld de putdeksels van de riolen gaan. Niettemin: debat is een vanzelfsprekendheid. Behalve zestien miljoen bondscoaches, telt Nederland ook zestien miljoen politici en zestien miljoen deskundigen op tal van andere terreinen.
Bij zoveel meningen zou een mens bijna vergeten dat brede discussie ooit heel wat minder voor de hand lag. Historicus Jaap van Rijn beschrijft in ’De eeuw van het debat’ hoe negentiende-eeuwse burgers het onder meer leerden via speciale genootschappen.
De Britten waren er eerder mee en bij hen nam het fenomeen een hogere vlucht. Discussie werd er een geliefde vorm van theater. Maar niet iedereen liep weg met de debatingclubs. Richard Whately, aartsbisschop van Dublin, wees in 1846 op de slechte invloed die ze zouden hebben. De vorm en de deelnemers bevielen hem niet. Debatten buiten het parlement leidden maar tot show voor de bühne, demagogie en populisme, tot gemakkelijk inspelen op de primaire driften van de ongeletterden.
In werkelijkheid conformeerden de Britten zich wonderwel aan de wetten van het systeem.
Nadat discussiëren ten tijde van de Franse revolutie even een verdachte activiteit was geweest, raakten de Britten in de loop van de negentiende eeuw nog sterker gefascineerd door het parlement en zijn gebruiken. De stijl en omgangsvorm van het debat in het Lagerhuis werden overgenomen op lokaal niveau. Het spelelement was bovendien welbesteed aan een volk met gevoel voor het theatrale.
In Nederland werd elke poging tot een gesprek over politiek in gezelschap nog lang „met een onverschilligen, zoo niet met een bedeesden, met een vragenden, twijfelenden, wantrouwenden of afkeurenden blik bejegend”. De Staten-Generaal in de Republiek kenden weliswaar een geschiedenis die eeuwen terugging, maar over het verloop van de discussies kwam niets naar buiten. Alleen de besluiten werden gepubliceerd. De eerste debatingclub in Nederland, de Vrijdagsche Vereeniging, werd pas in 1846 opgericht. Anders dan in Groot-Brittannië beschouwde de intellectuele, liberale elite dit soort gezelschappen als haar exclusieve domein.
Formeel gold een soortgelijke houding. Maakte het parlement en de grondwet in het Verenigd Koninkrijk deel uit van de nationale identiteit, In Nederland hoorden ze vooral bij een liberaal verhaal.
Toen in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer mensen toegang kregen tot het politieke systeem ontstonden nieuwe groeperingen met een sterke ideologische oriëntatie. Debat diende in de ogen van de leiders van deze zuilen voor de bevestiging van het eigen gelijk en ter overtuiging van anderen. In de retoriek van de ARP was de antirevolutionaire beweging verwikkeld in niets minder dan een burgeroorlog. Argumenten vormden de munitie.
Debat zien als een spel, zoals de Britten doen, konden de orthodox-protestanten in Nederland zich niet voorstellen. Het ging ergens om. Van jongs af aan werden ze gekneed voor de strijd en het viel niet mee om daar later nog van los te komen. De gereformeerde Joop den Uyl droeg alle sporen van de lessen in calvinistisch geïnspireerde redeneertactiek. Sommigen waardeerden die en spraken van bevlogenheid. Anderen hadden het over drammerigheid.
Debat had in het verzuilde Nederland bovendien een sterk defensieve functie. Alsof het om een soort weerbaarheidstraining ging. Een genootschap van roomse studenten omschreef zijn doel zelf als „tegengift te geven in katholiek-wetenschappelijke cursussen voor de valsche theoriën, welke zij bij hun dagelijkschen omgang met niet-katholieke professoren en mede-studenten allicht te gemakkelijk en vaak onbewust in zich zouden opnemen”. Voor de katholieken aan de basis geen debat. Zij werden geacht zich op Rome te richten, niet op Den Haag.
Het boek van Van Rijn, oorspronkelijk zijn proefschrift, geeft een boeiende inkijk in de verdwenen wereld van de debatingclubs. Soms valt de schrijver in herhalingen. Een groter bezwaar is dat hij de parallelle ontwikkeling van de massamedia wel aanstipt, maar nauwelijks uitwerkt. De wederzijdse wisselwerking tussen krant en genootschap had meer aandacht verdiend.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.