Nog voordat de internationale financiële crisis talloze mensen van hun spaarcenten beroofde, schreef Elfriede Jelinek er al een theaterstuk over. Een komedie. Maar niet iedereen kan erom lachen.
Geen schrijver die zo op de zenuwen werkt als Elfriede Jelinek. Dat bewezen opnieuw de reacties op ’De contracten van de koopman’, een honderd pagina’s lang ’teksttapijt’, dat inmiddels in verschillende Duitse theaters, en ook in Nederlandse, ten tonele is gevoerd. In beide landen doopten de recensenten van de kwaliteitskranten hun pen in de bitterste gal.
’Een komedie over de economie’ luidt de ondertitel van de tekst. Maar hij lijkt niet erg op een toneeltekst. Jelineks regieaanwijzingen zijn lapidair. Na de korte proloog volgt een lange lap proza, die de schrijfster inleidt met de woorden: „Een van vele bedrijven, ik weet alleen niet waar het ene begint en het volgende ophoudt.”
In de tekst treden kleine beleggers, bankiers en ’engelen der gerechtigheid’ op, maar wie wanneer het woord voert, moet de regisseur zelf bedenken. Ondertussen raast de tekst maar door, over het bedrog der bankmanagers, de verongelijktheid van de kleine luiden en de onmacht van iedereen tegenover de eigenzinnigheid van het kapitaal.
„...we zitten dus op verliezen, nietwaar, alleen weten we het nog niet, de bank zit ook op verliezen die hij niet toegeeft, die hij ons niet geeft, niet eens als toegift, die zit ook op zijn verliezen, de bank, alleen heeft hij dat precies zo gepland om ons te laten geloven dat wij, aangeboren verliezers, met hem en in hem eindelijk zouden winnen...”
Zoals veel teksten van Jelinek is ook ’De contracten’ een mozaïek van gestolen zinnen. „Dank aan jullie allemaal, kranten en tijdschriften”, schrijft Jelinek in haar nawoord, „dank ook aan mijn geliefde internet.” Haar grootste dank geldt het jaarverslag 2006 van de Meinl Bank, de Oostenrijkse bank die al omviel nog voor de wereldwijde crisis toesloeg.
Jelinek schreef de tekst in 2008. Hij mag dus profetisch heten. Alle mechanismen van de latere bankencatastrofe rafelt de tekst uiteen. Vandaar dat vorig jaar, toen de crisis op volle toeren kwam, toneelmakers zich gretig op de tekst stortten. Om te beginnen Nicolas Stemann, de regisseur aan wie Jelinek wel vaker de wereldpremière van haar stukken gunt.
Stemann liet zijn acteurs met de tekst in de hand over het toneel draven, schijnbaar improviserend, terwijl ze in werkelijkheid een nauwkeurig geplande vaudeville opvoerden. In een kleine vier uur zonder pauze werkten zij de honderd pagina’s van Jelineks tekst af. Het publiek moest zelf maar een kop koffie gaan halen, de deuren naar de foyer bleven open.
Anders dan de geïrriteerde critici van de grote kranten reageerden veel toeschouwers laaiend enthousiast. De voorstelling kreeg prijzen en werd geselecteerd voor het Theatertreffen in Berlijn. En dat lag niet alleen aan Stemanns spetterende spektakel of aan het frenetieke spel van de acteurs. Dat kwam ook door de magie van Jelineks tekst.
De proef op de som is het lezen van de tekst zonder de afleiding door brullende acteurs die voortdurend uit de kleren gaan. Uitgeverij Querido biedt de gelegenheid die proef te nemen. Ze heeft Jelineks tekst uitgebracht in de vertaling die Inge Arteel maakte voor de Vlaamse uitvoering in de regie van Johan Simons (onder de titel ’Underground’).
De criticus van een toonaangevende krant had het naar aanleiding van Simons’ uitvoering over Jelineks ’bonkende, nare, onpoëtische taal’. Voor wie de tekst in alle rust leest, zijn dat wel de laatste kwalificaties die zich aandienen. De taal is veeleer dansend, luchtig en zeer poëtisch. Ze zit vol ritmiek, woordspelerigheid en sardonische humor.
Het is waar: het is niet de taal die mensen van vlees en bloed spreken. Eigenlijk kent Jelineks theatertekst maar één personage: het geld, dat nu eens door de mond van een bankier, dan weer door die van een kleine belegger spreekt. Dat is ook precies waar het stuk over gaat: over de depersonalisering van wie in de ban van het geld raakt.
Het geld is de held van het stuk. Het trekt zich terug op Guernsey, ligt te zonnen op Aruba en lacht honend over wie zich in zijn bezit waant. Aan het eind van het stuk moordt iemand die alles verloren heeft, zijn familie uit. „...daarom weg met de familie, het geld achterna, het verlorene, weg met de familie, dat ze de weg van het geld gaat, vort!...”
Toch is het lezen geen onverdeeld genoegen. Zelfs in die laatste passage, waarin personages letterlijk in vlees en bloed, vooral veel bloed, veranderen, houdt de tekst de lezer op grote afstand. De tekst blijft taal, puur taal: steriel, cerebraal en emotieloos. Wat bij de lezer blijft hangen is de sound: de kille technosound uit de taalsynthesizer van Jelinek.
Inge Arteel voelt die sound goed aan. Jelinek laat haar vertalers uitdrukkelijk veel vrijheid. Arteel neemt die vrijheid. Voor elke woordgrap die in de vertaling verloren gaat, verzint ze een nieuwe. Maar het belangrijkste is dat Arteel de taal vloeiend houdt. Daarom heeft de Nederlandse tekst hetzelfde effect als de Duitse: hij imponeert, hypnotiseert en verplettert.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.