*

 

’Generatie post-90’ van China laat zich niet langer kisten

Marije Vlaskamp − 16/08/10, 00:00

De veranderingen in China gaan snel. De tijd dat de arbeiders rechtenloos waren, lijkt voorbij. Een teveel aan werk en een tekort aan werkers, versterken de positie van de laatsten. Van een staking staat niemand meer te kijken.

  • Of ze nu voor kapster leren, metalen voorwerpen afwerken of voedsel leren bereiden, veel jongeren willen weg van het platteland en leven in de stad. (FOTO'S STEFANIE YANG)

Het persoonlijk record overwerken van Hou Yongquan, een arbeider in een handtassenfabriek, staat op drie dagen en drie nachten. Aan een stuk door stikt hij riempjes, in een naar lijm en leer stinkende hal. Als hij na zo’n marathon zijn bed ziet – een keihard matras met een bamboe matje – slaapt hij de hele vrije dag en nacht door. „Dan sta ik op en ga weer werken. Ik word ongelukkig als ik zo moe ben. Zo ongelukkig, dat ik niet eens wil rollerskaten.”

Hou is een pezige knul van 22. Hij heeft een vriendinnetje van 18, ontmoet in de fabriek. In het weekeinde werken ze halve dagen, zodat ze twee avonden samen kunnen doorbrengen. Dan flaneren ze onder de lichtreclames bij een winkelcentrum. Terwijl hij rolschaatst, kijkt zij of er iets leuks in de grabbelbak ligt. Hun bed ligt vol met babydolls en pofbroekjes met strikjes. „Ze verspilt ook veel geld aan gamen in een internetcafe en haar telefoonrekening is huizenhoog”, zegt Hou. Zijn enige uitspatting is de huur van de rollerskate-baan. Hij spaart zoveel mogelijk van de 100 euro die hij maandelijks verdient, en voor zijn dertigste begint hij een handeltje in tassen, voorspelt hij.

Zaterdagmiddag. Hou en zijn meisje liggen op het bamboe matje in de lauwe windstroom van de ventilator. Zij klaagt over steekvliegen in de vochtige fabriek: haar armen en benen zitten onder de roestbruine bulten. Ondertussen hamert ze als een specht sms’jes op haar mobiele telefoon. „Je moet naar je werk”, dringt hij aan. Zuchtend trekt ze haar sprietige staartje recht. Vandaag moet ze gespjes gladvijlen. Na haar dienst gaan ze uit eten. Als er geen overwerk is.

Vergeleken bij de vorige generaties die Made in China produceerde, kent dit stel de luxe van een privéleven. Dankzij de privacy van die paar vierkante meter die Hou huurt buiten de fabriekspoort. Ze hebben een douche en een elektrische kookplaat. Overal in de industriezone hebben huiseigenaren hun appartementen opgesplitst met dunne muren en deuren van goedkoop plaatstaal.

Deze eenkamerwoningen – eufemistisch ’echtparenkamers’ genaamd – zijn een nieuw verschijnsel in de Parelrivierdelta, waar de arbeidsintensieve exportindustrie op zo’n 30 miljoen arbeiders uit heel China drijft. Vijf jaar geleden was het nog verplicht om binnen de fabrieksmuren te wonen. Stelletjes die werkten in elkaar opvolgende diensten, zagen elkaar alleen tijdens ploegenwisselingen. Mannen en vrouwen leefden strikt gescheiden in afgetrapte slaapzalen. Alles – douches, toiletten, aftandse televisie en kasten – was gemeenschappelijk. Het enige wat arbeiders voor zichzelf hadden, waren een drinkbeker, een teiltje en een handdoek.

Sommige fabrieken hanteerden het ’één bed, twee werkers-systeem’: als een werker opstond voor zijn dagdienst, schoof een collega uit de nachtdienst het nog warme bed in. „Zo’n slaapzaal vinden ze niet vervelend. Het scheelt op en neer reizen. Dan hebben ze meer tijd om te werken”, zeiden ploegbazen een paar jaar geleden nog. Hun ondergeschikten – in dit geval in dienst van een Taiwanese lamellenproducent – zeiden niets. Ze hádden niets te vinden, voor iedere kritische arbeider stonden tien werkwilligen klaar.

„Of de werkers overuren krijgen uitbetaald? Laat ik je één ding zeggen: de Taiwanese manager gaat de productiehal alleen binnen met zijn bodyguards die stroomstokken bij zich hebben. Zo goed behandelt hij zijn mensen”, smaalde die Chinese ploegbaas.

Hij verklapte me dat hij op commando van de baas de mooiste vrouwen vooraan de lopende band had gezet, ’omdat er een journalist kwam’. Zodra ik de camera op een arbeidster verderop in de rij zette, dook die van schrik ineen. Ik werd kundig langs een afgesloten hal geleid, waar levensgevaarlijke machines zonder beschermingskappen stonden. Speciaal voor die dag stilgezet, de deur op slot gedaan. Toen ik de volgende dag onaangekondigd binnenkwam met een vergeten vraag, stonden er vijftig man aan die machines. Een moment van onachtzaamheid en zo’n apparaat slokt een vinger of een hele arm op.

Dat was de dagelijkse gang van zaken in de Parelrivierdelta tot 2004. Toen kregen fabrieken onverwachts veel orders en ontstonden personeelstekorten. De werkers ontdekten hun macht: ze stemden met de voeten als de werkomstandigheden hen te gortig werden. Kwam de baas niet met een nieuwe airconditioned slaapzaal op de proppen, dan liep zo’n fabriekshal in één middag leeg. Job-hoppen was het eerste stapje in de emancipatie van de Chinese werker.

In 2008 kwam daar de Arbeidscontractwet bij. Al laat toezicht op de implementatie te wensen over, in theorie beschermt de wet tegen willekeurig ontslag, onbetaalde ’stages’ en gedwongen overwerk.

„De wet verbiedt meer dan 30 uur overwerk per maand. En het kost de baas 100 procent toeslag”, legt arbeider Hou uit. Hij kent zijn rechten precies. Omdat Hou geen gebruikmaakt van de gratis fabrieks-slaapzaal – „Daar wonen alleen sukkels zonder vrienden, die hun eigen sokken niet kunnen wassen.” – krijgt hij huisvestingstoeslag. Daar probeerde zijn baas onderuit te komen. „We legden het werk onverwachts neer, net toen hij met een grote order zat. Ik ben geen stakingsleider, ik ben een meeloper. Binnen een dag hadden we ons doel bereikt.”

Hou’s generatie heeft de wilde staking als het ultieme machtsmiddel ontdekt. In mei en juni braken overal in de Parelrivierdelta stakingen in de auto-industrie uit. Op zich geen wereldschokkend nieuws; er zijn jaarlijks vele duizenden gevallen van arbeidsonrust. Als er al iets over bekend wordt, blijken ze meestal niet lang te duren. De fabrieken hanteerden jarenlang een slimme verdeel- en heerspolitiek – stakingsleiders ontslaan, de rest sussen met een vage toezegging. De autoriteiten en vakbonden waren bij stakingen op de hand van de bazen.

De stakers bij Honda en Toyota lieten zich niet intimideren, maar haalden advocaten en experts op het gebied van collectieve salarisonderhandelingen het fabriekterrein op. Uiteindelijk kregen ze minder loonsverhoging dan geëist, maar de 26 procent extra was een goed resultaat. Met hun mobiele telefoons maakten ze filmpjes van hun acties, die ze op internet zetten. Op een van de opnames is te zien hoe ze ambtelijk uitziende types, die de vakbond vertegenwoordigen, uitjouwen.

Binnen een paar weken wist elke Chinese arbeider die wilde staken hoe het moest, wat de valkuilen waren, hoe ze hun eigen vertegenwoordigers voor onderhandelingen moesten benoemen en welke advocaten ze konden bellen voor advies. Zo sijpelde deze zomer de arbeidsonrust door tot in de verste uithoeken van de uitgestrekte industriezones. Het nieuwe zelfbewustzijn werd alleen maar versterkt door arbeidstekorten: er is meer werk dan arbeiders. „Als mijn baas me te lastig vindt, kan ik zo de volgende dag ergens anders aan de slag”, zegt Hou.

Overheids-denktanks schreven rapporten over technieken van collectieve salarisonderhandelingen. Premier Wen Jiabao en Wang Yang, partijsecretaris van Guangdong, staken jonge arbeiders een hart onder de riem: China heeft jullie nodig en respecteert jullie, zeiden ze.

Die boodschap was niet alleen aan stakers gericht, maar aan alle jongeren achter lopende banden. Deze lente pleegde een tiental jonge werkers van de Taiwanese elektronicafabrikant Foxconn zelfmoord. Omdat ze van het dak van de fabriek afsprongen, werd hun zelfgekozen dood verklaard door te wijzen op de arbeidsomstandigheden van de geisoleerde fabriek, waar 400.000 werkers niets anders doen dan werken en slapen. Het suïcidecijfer mag volgens zelfmoordexperts in steden met dezelfde bevolking als de Foxconnfabriek even hoog zijn, twee zelfmoorden op een dag, van jongeren die verhulde signalen geven dat het geestdodende werk en de slopende overuren hen te veel worden, zijn schokkend.

De komende decennia drijft de Chinese economie op de ’Generatie post-90’, zoals deze jongeren worden genoemd. Die laat nu zien dat ze niet van plan zijn slaafs achter de lopende band te kruipen. Amper twintig jaar oud, stellen de jongeren zich hun toekomst rooskleuriger voor: een paar jaar werken, een huis kopen en dan zijn ze er. In hun achterhoofd weten ze dat ze eisen kunnen stellen. Door demografische ontwikkelingen – het eenkindbeleid en de vergrijzing – krimpt de beroepsbevolking. Minder arbeiders dus, die beter opgeleid zijn en weten wat ze waard zijn.

„Ik ga voor een goede baan in de stad. Dan koop ik binnen vijf jaar een huis en haal ik mijn ouders van het platteland weg”, zegt een leerling van de Huzhen vakschool in Baoding. Deze school lijkt op een ouderwetse LTS, waar jongeren oefenen met krullers op kapperspoppen, leren prei te snijden, of een motorblok uit elkaar halen. De Huzhen-school is een leerfabriek die arbeiders klaarstoomt op bestelling van industrie en middenstand. Stages en speciale opdrachten leren de jongeren ’wennen aan overuren’. In de les maatschappijleer wordt nagepraat: hoe voelde het om een avond lang door te werken?

„We leren hen hoe ze moeten bereiken wat ze willen”, aldus de leraren. „De Arbeidscontractwet is een van de meest geleende boeken in de bibliotheek.” Maar geen les bereidt de jongeren voor op een leven dat bestaat uit zeven dagen lang acht uur per dag een schroefje in een gaatje te draaien. Geen examen toetst hoe lang een werker bestand is tegen het zielloze gevoel zelf niets meer dan een schroefje te zijn in een grote machine die telefoons, tassen of schoenen uitbraakt. Dát is volgens arbeidsdeskundigen het grote probleem, niet de lage lonen. Die wrijven hoogstens extra zout in de wond.

Inmiddels heeft Foxconn ruim 60 procent loonsverhoging beloofd in een poging de zelfmoordgolf te stoppen, maar dat zal net zo min helpen als de enorme vangnetten die de fabriek onder de ramen van elke vestiging heeft laten ophangen. „Deze generatie is erg introvert. Ze praten niet, ze chatten en sms’en. Dus hebben wij een chatkanaal, waar vijf vrijwilligers elke avond met talloze werkers zitten te kletsen. We weten niet wie ze zijn, waar ze werken en of hun hulpkreten voortkomen uit een emotionele opwelling of uit een serieuze depressie. Feit is dat we het elke dag wel een keertje horen: ’Ik wil dood’. Het probleem speelt niet alleen bij Foxconn. Vergeleken met 2008 hebben we twintig procent meer verzoeken om psychologische hulp”, zegt Dee Lee, directeur van Inno, een NGO in Guangdong.

In het kantoor van Inno pakken jongeren knuffelbeesten in. Pluche Garfields krijgen een kaartje om hun nek met de mobiele nummers en het chatkanaal van de ’babbeldienst’ van Inno. Een boekje geeft voorlichting over problemen in de fabriekszone. Hoe vind ik een huis? Hoe steek ik veilig een achtbaansweg over? Mag mijn baas me in natura uitbetalen? Kan ik veilig vrijen als ik seropositief ben?

Met die pakketjes gaat Inno als zelfmoordpreventie-team fabrieken af. Dee Lee: „Die zijn bang dat hen hetzelfde wacht als Foxconn. Ze proberen die jonge werknemers te bereiken, maar ze weten niet hoe ze met deze generatie moeten omgaan. Ze weten alleen maar hoe ze ze hard kunnen laten werken. Dus nodigen ze ons uit in de hoop dat arbeiders hun problemen durven uit te spreken.”

„Die stakingen en zelfmoorden zijn een veenbrand. Er hoeft maar iets te gebeuren en de vlammetjes van onrust wakkeren overal op”, zegt advocaat Duan Yi, specialist arbeidsrecht in Shenzhen. Hij staat aan de kant van de arbeiders, maar op deze generatie kan hij geen vat krijgen. „’Cool’ is het enige wat ze zeggen. Staken om meer loon: cool. Koreaanse dramaseries: cool. Van het dak springen bij Foxconn: cool.”

Televisie, internet en mobieltjes geven de ’Generatie post-90’ een bredere kijk op het leven dan hun ouders hadden. Van videoclip tot soapserie: de jeugdcultuur speelt zich af in een stedelijk landschap waar de skyline toeziet op de uitgekomen droom. De Chinese staat versterkt dat gevoel met een verstrekkende urbanisatiepolitiek. Het komende Vijfjarenplan is een blauwdruk voor de verstedelijking die ruim 50 procent van de Chinese bevolking de stad in zuigt. Generatie post-90 is uitverkoren om de sprong van akker naar torenflat te maken. Daarmee hebben ze een zwaardere opgave dan hun voorgangers. Die hoefden slechts genoeg te verdienen om hun gezin op het platteland in leven te houden. Zij hadden altijd de akkers om op terug te vallen, terwijl deze generatie bij het woord ’zaaien’ denkt aan het gelijknamige internetspelletje.

Duan Yi: „De oude generatie schrok van een pinautomaat, maar deze generatie is niet bang van de stad. Ze willen juist stedelingen zijn.” Daarom, zegt hij, sloeg bij Foxconn die dodelijke hopeloosheid toe, nadat de vakbond en de Foxconn-managers vorig jaar besloten de lonen jaarlijks met 3 procent te verhogen. De arbeiders gingen met de rekenmachine aan de slag. „Ze namen de gemiddelde huizenprijs erbij, en het minimummaandloon van 90 euro. Ze kwamen tot de conclusie dat ze 15 jaar onafgebroken bij Foxconn moesten werken; dan pas zouden ze genoeg hebben gespaard voor de aanbetaling voor een huis. Zonder die aanbetaling krijg je geen hypotheek. In één klap lag hun droom in duigen en waren ze niet meer gemotiveerd om aan de lopende band te werken. Ze vroegen me wanhopig: hoe moeten we met zulke lage lonen in hemelsnaam urbaniseren?”

mailIcon print |