Duitsland presenteert zich dit jaar als een creatief land, ook buiten de culturele hoofdstad Essen. Maar wat is er over van de broedplaatsen in het oosten? En bruist het ooit zo anarchistische Hamburg nog?
Havenstad Hamburg heeft zich een nieuw, creatief imago aangemeten. Het stadsbestuur omarmt de theorie van Richard Florida, de Amerikaanse economisch geograaf die voorspelt dat vooral steden met een levendige creatieve klasse een mooie toekomst tegemoet gaan.
Het streven uit zich op heel uiteenlopende manieren. In de oude afgedankte havens, die voor miljarden worden omgebouwd tot het hypermoderne woon- en werkgebied ’Hafencity’, verrijst de Elbphilharmonie. Het bouwwerk, een glazen ’golf’ op een robuust oud pakhuis, moet de grootste opera ter wereld worden. Verderop in de stad is een machinefabriek omgebouwd tot het avant-gardistische cultuurcentrum Kampnagel, waar kleinschalige voorstellingen een kans krijgen.
Je zou denken dat de creatieve klasse in de stad blij is met zoveel geld en aandacht voor kunst en cultuur. Maar nee. Vorig jaar werd zelfs een manifest aangenomen waarin tientallen kunstenaars, muzikanten en activisten hun ’recht op de stad’ terug eisen. Er blijft niets over van creativiteit als de overheid het gaat organiseren, met in haar kielzog die eeuwige projectontwikkelaars, is hun mening.
Oude tijden lijken te herleven in Hamburg, dat eind vorige eeuw een levendige anarchistische cultuur kende. Eén van de hoogtepunten was de strijd om het theater Rote Flora, eind jaren tachtig. De gemeente wilde het geschikt maken voor musicals, maar krakers van diverse pluimage zagen daar niets in en er volgden felle gevechten. Uiteindelijk werd er, op een heel andere plek, een Neue Flora gebouwd. Daar heeft Joop van den Ende – in Hamburg prominent aanwezig met zijn bedrijf Stage entertainment – momenteel de musical Tarzan staan.
Een brand in 1995 heeft de ’oude’ Flora weinig goed gedaan, maar de vervallen overblijfselen zijn nog steeds in handen van krakers. Rote Flora staat in het Karolinenviertel. Ooit een levendige wijk vol krakers, nu een hippe yuppenwijk. „Tv-kok Tim Malzer zit hier met zijn restaurant Bullerei”, zegt stadsgids Jörn Löding met lichte afschuw. Verderop laat hij zien hoe voormalige kraakpanden zorgvuldig zijn gerestaureerd – met behoud van de muurschilderingen. Hetzelfde gebeurt in de beruchte hoerenbuurt van Hamburg, achter de Reeperbahn. Daar rijgt zich gestaag een ’parelsnoer’ van blinkende appartementencomplexen aaneen, tussen de cafés en bordelen.
Löding is gespecialiseerd in het alternatieve gezicht van zijn stad en hij laat bezoekers dan ook graag het Güngeviertel zien, een klein labyrint van stegen en oude huizen, vlakbij het chique centrum. „Door bombardementen en sloop is dit soort arbeiderswijken helemaal verdwenen. Maar dit stukje oude stad bestaat nog”, vertelt hij. In de oude panden hebben krakers ateliers en cafés ingericht. Hier concentreert zich het verzet tegen het veryuppen van de stad.
„Investeerder Hanzevest had zijn oog al laten vallen op de buurt en wilde er, met behoud van een gevel hier en daar, dure appartementen bouwen”, vertelt Löding. Maar door de crisis was er opeens geen geld meer en inmiddels heeft de stad de panden terug gekocht. De krakers worden nu gedoogd – het stadsbestuur lijkt in te zien dat dit soort ongepolijste broedplaatsen bijdraagt aan het zo gewenste creatieve imago.
Begin jaren negentig was Berlijn de hemel voor krakers, kunstenaars en creatievelingen: ontelbare appartementen, kantoren en fabriekshallen stonden leeg en vaak was volkomen onduidelijk wie de eigenaar was. Ruimte genoeg voor experimenten dus en niet verwonderlijk dat de stad momenteel tienduizend geregistreerde kunstenaars huisvest en meer dan vierhonderd galeries. Maar kraakpanden, die zijn er niet meer. Vorig jaar november werd het laatste échte kraakpand met veel bombarie ontruimd. Het staat er nu verlaten bij, aan de Brunnenstrasse in stadsdeel Mitte. Op de gevel schilderden de laatste bewoners het nu achterhaalde opschrift ’Wir bleiben alle’. Het echte kraken heeft plaatsgemaakt voor gelegaliseerde vormen van tijdelijke bewoning – er staan namelijk nog steeds genoeg panden leeg in de Duitse hoofdstad.
De Brunnenstrasse werd lang gezien als zo’n typische Oost-Duitse straat die nooit iets zou kunnen worden. Maar sinds een paar jaar opent de ene na de andere galerie er haar deuren. Juist de rauwe charme trekt een trendy publiek, dat het helemaal gehad heeft met de zoete pastelkleurtjes die bij de restauratie van historische panden in oostelijk Berlijn worden toegepast.
Architect Arno Brandlhuber zette er een gebouw neer dat de grauwe uitstraling van de straat juist onderstreept, opgetrokken uit beton en matglas. Het is het onderkomen voor de spraakmakende KOW Gallery.
Vlakbij de kruising met de Bernauerstrasse, waar de Brunnenstrasse tot 1989 doodliep tegen de Muur, zit de winkel van mode-ontwerpster Antonia Goy. Ze trok er vier jaar geleden in, samen met haar partner, de architect Björn Kubeja. „Toen we hier begonnen zaten we tussen vijf bakkerijen”, zegt Kubeja. „We vreesden dat we veel te ver weg waren gaan zitten om op te vallen. Maar de galeries kwamen al snel onze richting op.” De bakkerijen verdwenen, want met de komst van al dat hips stegen natuurlijk ook de huurprijzen. „Wat dat betreft kwam de crisis op het goede moment”, zegt hij. „Maar het is natuurlijk wel weer slecht voor de verkoop”, werpt Goy tegen, die haar ontwerpen (’vloeiende, volwassen zigeunerstijl’) ook verkoopt in Parijs en Florence.
Het is het lot van iedere hippe buurt – het begint met alternatieve durfals en eindigt met verwende yuppen. Het trendy terras van ’Glück am park’, bij het Volkspark am Weinberg, zit vol met welvarende tweeverdieners uit Prenzlauerberg. Twintig jaar geleden was een woning hier niks waard, nu is het zo’n pastelwijk met hoge huren.
Creatief Berlijn kijkt alweer naar andere wijken, Kreuzberg bijvoorbeeld, in het voormalige westen. Vreemd genoeg hangt hier nog iets van de sfeer uit het oosten.
Valt er eigenlijk nog ergens iets van die DDR-sfeer te proeven? Jazeker. Aan de Alexanderplatz bijvoorbeeld staat het kolossale Haus des Reisens, het reisbureau van de voormalige DDR. Op de twaalfde verdieping is de hippe club Weekend gevestigd en vanaf het dakterras op de vijftiende is het uitzicht spectaculair. Beter nog is HBC, even verderop aan de Karl Liebknecht Strasse. Het voormalige Hongaarse Kulturhaus is grotendeels intact, met veel houtfineer, chroom en jaren zeventigmeubels. Er worden allerlei optredens, exposities en feesten gehouden. In de eetzaal, met uitzicht op de Fernsehturm, waan je je helemaal in de tijd van communistische partijbonzen. Het ontbreken van een rookverbod draagt enorm bij aan die sfeer.
- door Sofie Cerutti -
Leipzig lijkt wel wat op Berlijn, maar alles is wat kleiner. Mooie oude gebouwen naast oerlelijke DDR-blokken, vervallen huizen en hippe verbouwde huurblokken waar alle kolenkachels inmiddels zijn vervangen. Leipzig heeft een half miljoen inwoners, tegen de hoofdstad 3,5 miljoen. De stad is groter dan nodig voor het aantal inwoners, daardoor zijn de huren laag en de lege panden om een creatieve bestemming voor te vinden talrijk. Er wonen veel studenten, kunstenaars en creative professionals, en het bier is er goedkoop.
Berlijners vinden alles in Leipzig niedlich (schattig). Grossstadtarroganz, vinden de Leipzigers dat. In november 1989 werd bij jullie de Muur neergehaald, maar dat was nooit gebeurd zonder ónze maandagdemonstraties. Daarna kregen júllie de ambtenaren, wíj de Neue Leipziger Schule. En nu jullie weer.
Die Neue Leipziger Schule, een spraakmakende stroming in de schilderkunst, werd de stad eigenlijk in de schoot geworpen. En het ging ineens heel snel, zoals meestal met hypes.
Het begon met een oud fabrieksterrein aan de rand van de stad. Sinds 1885 draaide daar een katoenspinnerij, compleet met woonwijk, park, winkels, Kindergarten en alle voorzieningen die een grote fabriek nodig had. In 1946 was de spinnerij Volkseigener Betrieb geworden, eigendom van deelstaat Saksen. Na de val van het IJzeren Gordijn, begin jaren ’90, was de fabriek nog slechts zeer gedeeltelijk in bedrijf.
Vijf kunstenaars ontdekten begin jaren negentig de schitterende, maar grotendeels vervallen rode bakstenen gebouwen. Onder hen was Neo Rauch, toen nog een tamelijk onbekend schilder, begin dertig, geboren in Leipzig en direct enthousiast over de mogelijkheden die de enorme ruimtes boden. Ze betrokken een redelijk bruikbare etage, braken tussenwandjes af en richtten ateliers in.
In 2000 kwamen drie ondernemers langs, die wel mogelijkheden zagen in het complex. Goedkope grond, veel ruimte, schitterende gebouwen in wisselende staat van verval, wat kunstenaars die nauwelijks huur betaalden. Ze kochten het. Negentigduizend vierkante meter kansrijke bouwval.
Stukje bij beetje begonnen ze de gebouwen op te knappen en te verhuren. En dat alles zonder subsidie. „Geholpen heeft de stad niet, maar we hadden er ook niet veel last van”, zegt Bertram Schultze, een van die ondernemers van het eerste uur en nu directeur van de Spinnerei.
Er werden meer ateliers verhuurd en de kersverse eigenaren wisten een paar succesvolle of veelbelovende galeries aan te trekken. En ze wisten bedrijven als huurder te contracteren die zorgden voor vaste inkomsten én voor een goede mix van bewoners.
Het begon allemaal redelijk te lopen, toen een aantal kunstenaars, Neo Rauch voorop, ineens internationaal hoge ogen ging gooien. Hun schilderstijlen liepen uiteen, maar ze kwamen uit Leipzig, of in elk geval uit de voormalige DDR, ze hadden aan de HGB (Hochschule für Grafik und Buchkunst) gestudeerd. In 2003 brak de groep serieus door met een tentoonstelling in het Museum voor beeldende kunst in Leipzig, en kreeg zijn naam. Daarmee maakte de Spinnerei – waar vrijwel alle kunstenaars zaten, en de galeries die hun werk exposeerden – een geweldige sprong vooruit.
En daarmee ook de stad. Ineens was Leipzig niet meer alleen de stad van Bach en Mendelssohn, maar ook een hippe kunstenaarsstad waar vanuit de hele wereld naar gekeken werd. The hottest place on earth, schreef de Britse krant The Guardian en volgens de New York Times is Leipzig één van de plekken die je dit jaar móet bezoeken.
Een imago dat de stad graag verder ontwikkelt. De Spinnerei kreeg hulp. De laatste grote fabrieksschoorsteen die er nog stond, werd met steun van monumentenzorg gerestaureerd. Halle 14, een van de grootste gebouwen van het complex, wordt op dit moment gerenoveerd en in gebruik genomen door allerlei non-profitorganisaties: er is een bibliotheek, er worden cursussen voor jongeren gegeven, er komen ateliers voor internationale kunstenaars met een beurs.
De financiële crisis heeft ook Leipzig niet ongemoeid gelaten. Toch is de stad er nog redelijk goed vanaf gekomen. In grote steden als Berlijn, Hamburg, Frankfurt en München zijn veel galeries gesloten en is de prijs voor winkelruimtes gekelderd. „De prijzen waren hier in de ’goede jaren’ ook niet zo gigantisch gestegen als in andere steden”, denkt Schulze. „Dan val je minder diep.”
Voor kunstenaars blijft de Spinnerei goedkoop. Voor een atelier betaal je op het complex nog geen drie euro per vierkante meter, voor bedrijfsruimte vijf euro. Galeries zitten daar een beetje tussenin. Bandjes betalen het minst: een euro per vierkante meter oefenruimte.
Inmiddels is het natuurlijk behoorlijk vol geworden in de Spinnerei. „Kunstenaars die hier zitten, gaan niet snel meer weg”, zegt Schulze. „We zijn selectiever geworden. Maar een café of restaurant kan er nog wel bij, het complex kan wel wat goede horeca gebruiken.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.