*

 

Radicale politiek als vuilnisdienst

Sebastien Valkenberg − 03/08/10, 00:00

De gedachte dat de politiek alle leed en onvolmaaktheid kan opruimen, door filosoof Finkielkraut ’radicale politiek’ genoemd, komt verrassend vaak voor, signaleert Sebastien Valkenberg. Bijvoorbeeld als een Eurocommissaris pleit voor een vrouwenquotum voor topfuncties in bedrijven. „Voor alles wat gebeurt moet een schuldige zijn aan te wijzen.”

  • Eurocommissaris Vivianne Redding (l) begroet Catherine Ashton, hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken bij de EU. (FOTO EPA)

Kunnen politici te veel ambities koesteren? Volgens de Franse filosoof Alain Finkielkraut (1949) is dit een typisch fenomeen van de huidige tijd. Kenmerkend aan wat hij ’radicale politiek’ noemt, is de overtuiging dat er geen probleem is dat níet kan worden opgelost. Finkielkraut noemt het communisme als voorbeeld van deze politieke stijl, maar het betekent geenszins dat zij passé zou zijn nadat de Muur is gevallen. „Vandaag de dag is de radicale politiek terug van weg geweest, ideologisch sterker en wijder verbreid dan ooit”, meent Finkielkraut. Hij ontwaart de radicale politiek bij „alle vormen van progressief denken en activistisch handelen”.

Wellicht het meest recente geval van zulk ’activistisch handelen’ is de aankondiging van Eurocommissaris Vivianne Redding (justitie en mensenrechten) dat ze overweegt ’vrouwenquota’ in te stellen. Sommige bedrijven, stelt Redding, treffen weliswaar maatregelen om meer vrouwen aan de top te krijgen en verlenen vrouwen voorrang bij bepaalde vacatures, maar over de gehele linie genomen verloopt dit proces volgens haar te traag. Uitgewerkte wetgeving op dit punt is er nog niet, en Reddings gedachte aan een quotum is vooral bedoeld als waarschuwing.

Nu is van gelijke vertegenwoordiging in de top van het bedrijfsleven inderdaad geen sprake. In 2008 bestond volgens de Women Board Index het management van de grootste beursgenoteerde Nederlandse bedrijven voor twaalf procent uit vrouwen. Dat is weliswaar bovengemiddeld, maar van die twaalf procent was het merendeel Amerikaans. Op verschillende internationale ranglijsten die de positie van vrouwen in kaart brengen, scoort Nederland nauwelijks beter dan landen als Pakistan en Botswana.

Stichting Women on Top, waarvan feministe Heleen Mees een van de oprichters is, geeft een verklaring voor deze cijfers. „Het probleem met de doorstroming van hoogopgeleide vrouwen lijkt meer geworteld in ondernemingscultuur en stereotypen, dan in regelrechte discriminatie. Kloongedrag en groepsdynamiek weerhouden een ondernemingsbestuur dat uitsluitend uit mannen bestaat ervan om een vrouw te benoemen, zelfs als de bestuursleden ieder individueel een dergelijk besluit zouden steunen.” Een andere factor van betekenis is dat het zou ontbreken aan vrouwelijke rolmodellen die inspirerend kunnen werken. Vandaar de eis van gender balance in ondernemingen, de wetenschap en het openbaar bestuur.

De verklaring van Women on Top doet sterk denken aan de redeneertrant die volgens Finkielkraut zo kenmerkend is voor de radicale politiek: dat zij ’alle menselijke onvolmaaktheid, leed en rampzaligheid’ herleidt tot een kwestie van onderdrukking – er is altijd wel iemand of iets te vinden die verantwoordelijk is voor leed en onvolmaaktheid.

Volgens deze logica moeten ongelijke verhoudingen tussen mannen en vrouwen in topfuncties er dus op duiden dat de beide geslachten niet gelijkwaardig worden behandeld. Dat vrouwen de top niet bereiken, wijt Women on Top aan een informele cultuur, het ’glazen plafond’. Vrouwen willen wel, maar kunnen niet.

Voor Finkielkraut getuigt een dergelijke zienswijze van het einde van de erfzonde, de bijbelse visie dat er altijd leed zal zijn omdat dat sinds de zondeval inherent is aan de menselijke natuur – de mens kan er hooguit naar streven het leed te minimaliseren. De radicale politiek gaat echter uit van de goedheid en welwillendheid van mensen in de natuurstaat. Het kwaad hoeft er niet te zijn, en als het er is, is het zaak dat de politiek het helemaal opruimt, zoals de reinigingsdienst het vuil van de straat haalt. Schrijver en filosoof Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) verwoordde dat in zijn opvoedkundige roman ’Emile’ uit 1762. Finkielkraut noemt Rousseau dan ook de oervader van de radicale politiek.

Finkielkraut is bepaald kritisch over de grote pretenties van de radicale politiek. Ontneemt die niet alle politieke en emancipatorische bewegingen hun legitimiteit?

In de loop van de geschiedenis hebben verschillende vormen van achterstelling plaatsgevonden, onder meer van vrouwen. Het is niet ondenkbaar dat de ongelijke verhoudingen op de werkvloer inderdaad wijzen op een cultuur die de emancipatie van vrouwen verhindert. Maar is een quotum een oplossing voor de ongelijkheid? Nee, denkt Marike Stellinga, redacteur bij Elsevier en auteur van ’De mythe van het glazen plafond’ (2008). In haar boek concludeert Stellinga dat veel vrouwen een topfunctie niet ambiëren, omdat zij het ’de offers niet waard’ vinden. Dat is een te respecteren besluit, volgens Stellinga, maar het betekent niet dat het lot van vrouwen de politiek onverschillig kan laten.

Het vraagstuk dat hier speelt is de reikwijdte van de politiek. Waar liggen haar grenzen? Wat betreft Stellinga is het van groot belang dat de politiek zorgt voor gelijke kansen. Daarbij merkt ze echter ook op: ’Gelijke kansen kunnen ongelijk worden gegrepen.’ Daar houdt voor haar het bereik van de politiek dus op: die is niet verantwoordelijk voor gelijke uitkomsten, ook niet als het gaat om de invulling van managementfuncties.

Deze berusting blijft uit bij EU-commissaris Redding. Zij dicht de politiek juist een veel groter werkterrein toe dan Stellinga. Die neiging, vindt Alain Finkielkraut is nu karakteristiek voor de radicale politicus. Zo’n politicus werkt volgens de filosoof vanuit de gedachte dat ’ieder probleem een oplossing heeft – om een politieke oplossing vraagt.’ En zolang de verhoudingen op de werkvloer ongelijk zijn, is er dus werk aan de winkel. Ongelijkheid is voor de radicale politicus een tijdelijk verschijnsel dat uit de weg geruimd moet worden; in het filosofisch jargon van Finkielkraut is er slechts sprake van een ’een reeks tijdelijke en voorbijgaande tegenstrijdigheden in het historische proces’.

In deze visie is er weinig ruimte voor de overweging dat ongelijke bezetting van topposities níet gecorrigeerd zou hoeven worden met vrouwenquota. De radicale politiek gaat immers uit van een overzichtelijk schema van onderdrukkende maatschappelijke structuren en mensen die daarvan de dupe zijn. Enerzijds zijn er vrouwen die een topfunctie zouden ambiëren en anderzijds het glazen plafond dat hen daarvan zou weerhouden. Subtielere overwegingen, zoals Stellinga die bijvoorbeeld onder de aandacht brengt, zijn in het stramien van de radicale politiek moeilijk in te passen. Want, zo vat Finkielkraut het redeneren van de radicale politicus samen: ’Voor alles wat gebeurt moet een schuldige zijn aan te wijzen.’ Vrouwen die een topbaan niet ambiëren? De radicale politicus kan deze optie niet plaatsen.

mailIcon print |