*

 

Goedmakertje van fabrikanten Kenia

Ilona Eveleens − 05/07/10, 00:00

Keniaanse fabrikanten planten een groenstrook langs een wildpark nabij Nairobi. Zij zijn zich ervan bewust dat ze tijdens de groei van hun bedrijven nauwelijks oog hadden voor de effecten op het milieu. Ze willen iets goed maken.

Japanse toeristen kijken vanuit hun terreinwagen verbaasd naar zo’n tweehonderd gravende Keniaanse soldaten. Met spaden en pikhouwelen hakken de militairen diepe gaten in de kleigrond van het Nairobi National Park. Het is zwaar werk en de soldaten in groene en blauwe camouflage pakken van land- en luchtmacht moeten regelmatig pauzeren.

De gaten zijn voor boomstekken. Een kwart miljoen worden er geplant in een vijftig meter dikke strook langs 30 kilometer van het wildpark. „Het wordt een bufferzone tegen oprukkende fabrieksterreinen, sloppenwijken en afval, legt Wanja Kimani uit. Zij coördineert de aanleg van de groenstrook voor de Keniaanse raad van fabrikanten (KAM). „Het idee werd geboren in de aanloop naar het vijftigjarige bestaan van de raad.”

De leden zijn zich ervan bewust dat ze tijdens de groei van hun bedrijven nauwelijks oog hadden voor de effecten op het milieu. Ze willen iets goed maken en besloten tot de aanleg van de groenstrook, vertelt Wanja Kimani. Het leger biedt de helpende hand in het kader van herbebossingsprojecten die de strijdkrachten overal in Kenia uitvoeren. De ontbossing in Kenia is dramatisch. In 1990 was nog ruim 10 procent van het land met bos bedekt, nu is dat 1,7 procent.

Het park, acht kilometer van Nairobi, is het enige ter wereld waar een wild dier te fotograferen is met op de achtergrond de skyline van een stad. Er leven de meeste in Kenia voorkomende dieren, behalve olifanten omdat de oppervlakte van 117 vierkante kilometer te klein is om de reuzen voldoende te kunnen voeden. Een groot deel van het park bestaat uit savannen waarop grazers zoals zebra’s, gnoes, gazellen en buffels zich ophouden. De kleine bossen langs riviertjes zijn de territoria van neushoorns, leeuwen en luipaarden. Bovendien vertoeven er zo’n 400 vogelsoorten.

Het is het oudste park van Kenia dat in 1946 tot beschermd gebied werd verklaard. Het vormt een oase van rust aan de rand van een stinkende en lawaaierige stad die uit haar voegen barst.

Het voortbestaan van het park staat echter onder druk. Steeds dichter naderen het industrieterrein en de sloppenwijken van fabrieksarbeiders. Steeds vaker is het mogelijk een wild dier te fotograferen tegen de achtergrond van een berg industrieel of huishoudelijk afval.

Landloze Kenianen vinden dat het park moet worden opgedoekt om plaats te maken voor huizen. Zij wijzen er op dat in het land nog twaalf andere wildparken liggen. Maar diverse groepen zoals KAM zetten zich juist actief in voor het behoud. „Het is een recreatiegebied waaraan behoefte bestaat in een stad als Nairobi. Het heeft een economische waarde omdat het toeristen trekt en het is belangrijk voor de biodiversiteit”, redeneert Wanja Kimani.

De groenstrook, waarvan inmiddels acht kilometer klaar is, wordt beplant met inheemse boomstekken zoals diverse soorten Acacias en Crotons. De groene corridor met daarin picknickplaatsen en wandelpaden komt te liggen tussen een gewoon en een elektrisch hek om mens en dier tegen elkaar te beschermen.

„Onze taak houdt niet op bij het planten van bomen”, merkt Kimani op. „We zamelen nog steeds geld in want we moeten tenminste drie jaar de boompjes verzorgen met water en mest. De ervaring leert dat mensen bomen planten en dan denken dat hun taak gedaan is. Daardoor verpietert veel jonge aanplant en schiet het niet op met de herbebossing in het land.”

Het project van de fabrikanten gebeurt in samenwerking met Kenya Wildlife Service (KWS), het semi-overheidsorgaan dat wildparken in het land beheert. „Onze wildparkwachters patrouilleren regelmatig langs de nieuwe aanplant om diefstal of vernieling te voorkomen”, vertelt Richard Chepkwony, assistent hoofdopzichter van het wildpark nabij Nairobi. „De bomen houden het afval tegen en vormen straks ook een geluidswal om de herrie van de stad zoveel mogelijk buiten te houden. We willen dat de stad een stille skyline is.”

Hij ziet in de groenstrook ook voordelen voor het milieu in het algemeen. „Een kwart miljoen bomen kunnen heel wat koolmonoxide uit de lucht opnemen. Op de straten van Nairobi verschijnen maandelijks zo’n 4000 auto’s meer. APK-keuringen bestaan niet en de walmen uit de voertuigen zijn verstikkend. Bovendien is het wegennet in en rond de stad niet berekend op de snelle toename van auto’s waardoor zich dagelijks schier eindeloze files vormen.”

Chepkwony vindt echter de groenstrook alleen, niet zaligmakend. „We moeten Kenianen ook uitleggen wat het belang van het park is en de noodzaak van biodiversiteit bij steden. KWS gebruikt het park voor educatieve rondleidingen voor scholieren en organiseert in het weekeinde rondritten voor de minder draagkrachtige bewoners van de hoofdstad. Dat is niet mogelijk in andere parken omdat de meeste veel te ver verwijderd liggen van steden”, legt Chepkwony uit.

De groenstrook moet ook een educatief karakter krijgen. Bomen krijgen naamplaatjes. Op informatieborden komt te staan wat voor vegetatie onder de bomen gaat groeien en welke insecten dat aantrekt.

Een kilometer van de groenstrook wordt niet beplant. Dat deel ligt pal onder de landingsbaan van het internationale vliegveld Jomo Kenyatta. De vogels in het park zullen weinig baat hebben bij de nieuw geplante bomen. Chepkwony: „Ndege is het Swahili woord voor zowel vogel als vliegtuig. Maar vogels en vliegtuigmotoren zijn geen goede combinatie. Daarom zijn boomsoorten gekozen voor de groenstrook die eigenschappen bezitten waardoor vogels er geen nesten bouwen en uit de buurt blijven. Het garandeert de veiligheid van zowel vogels als vliegtuigen.”

mailIcon print |