*

 

Liever sms’en dan praten

Leonie Breebaart − 03/07/10, 00:00

Mailen, sms’en – praten met anderen gebeurt steeds vaker via een scherm. En steeds vaker met onbekenden. Verandert dat ál onze relaties? Die vraag stelt Jonathan Coe in zijn nieuwe roman over een man met zeventig Facebook-contacten – en geen enkele vriend.

  • Max' tomtom wordt nooit boos op hem, hoe dom of bot hij zich ook gedraagt. (FOTO ANP )

Als je bedenkt hoe snel we hebben moeten wennen aan mails, blogs, chats en tweets en hoe massaal die nieuwe sociale media onze levens zijn binnengedrongen, is het eigenlijk verbazend hoe weinig romans deze communicatieve aardverschuiving in kaart brengen.

Natuurlijk, ook in de literatuur rinkelen mobieltjes, en er zijn al heel wat e-mailromans op de markt gebracht, maar de oogst blijft toch mager, alsof de veranderingen te snel gaan om er greep op te krijgen. De Italiaanse romancier Alessandro Barrico heeft de digitale revolutie (in een essay, overigens) al beschreven als een cultuuromslag waarbij het ideaal van concentratie en diepgang plaatsmaakt voor dat van oppervlakte en snelheid. Waarmee we volgens hem niet per definitie slechter af zijn.

Dat optimisme wordt niet gedeeld door de Britse schrijver Jonathan Coe, zo valt af te lezen uit zijn overigens erg komische nieuwe roman ’De afschuwelijke eenzaamheid van Maxwell Sim’. De hoofdpersoon, een heel gewone Engelse man van 48 jaar oud, handelt zijn contacten het liefst af achter een scherm. „Liever dan dat ik met een van mijn vrienden afspreek, zet ik een vrolijke, ironische update op Facebook.” En omdat hij zijn ex-vrouw niet durft te bellen, en toch wil weten hoe het met haar is, logt hij onder de valse naam SouthCoastLizzie in op haar favoriete website Mumsnet, waar zij met andere moeders contact legt. Hij schaamt zich wel, maar het is té verleidelijk: tegen de wildvreemde en non-existente Lizzie is zijn ex-vrouw openhartiger dan ze ooit was tegen Max.

Max behoort duidelijk niet tot de geslaagde internetgebruikers, tot de Femke Halsema’s van zijn generatie. Hij heeft wel zeventig Facebook-contacten, maar eigenlijk weinig anders. Met zijn naar Australië geëmigreerde vader heeft hij nooit kunnen praten. Zijn vrouw Caroline en dochter Lizzie hebben hem een half jaar geleden verlaten. Max’ bedrijfsarts heeft hem depressief verklaard en naar huis gestuurd. Alleen gelaten in zijn flat blijkt hoe weinig er van zijn leven over is. Zijn postbus stroomt over van boodschappen als ’Uw stevige stijve maakt de vrouwtjes gek’ en ’Duw uw stamper in een dame’, maar echte vrienden melden zich niet.

Geen wonder dat Max ingaat op dat ene mailtje van zijn oude vriend Trevor, die hem uitnodigt voor een kop koffie. Maar die afspraak blijkt niet bedoeld om de vriendschap ter hernieuwen. Trevor is inmiddels betrokken bij een bedrijf dat een nieuw merk tandenborstel fabriceert, de IP 009. Onder de slagzin ’Wij reiken het verst’ wil het pr-team deze ’Heilige Graal van de mondhygiëne’ naar de verst afgelegen plekken van Engeland laten rijden om het product daar aan de man te brengen. Max, die toch weinig anders te doen heeft, laat zich maar al te graag strikken voor een reis, per dienstauto, naar de Shetlandeilanden.

En zo begint een roadnovel die ons door hedendaags Engeland voert, wat Coe de gelegenheid biedt het veranderde landschap onder de loep te nemen. Ook in het moderne wegennet ontwaart hij een contactstoornis: met al die ringwegen kom je eigenlijk nooit meer dóór een stad heen, vanaf de snelwegen is ’absoluut niets te zien’, en rond het benzinestation klusteren zich voedselketens waar je je hamburger of healthfood kunt opscheppen zonder een woord met iemand te wisselen. Makkelijk voor wie, zoals Max, toch al niet graag onder de mensen is.

Onderweg worden Max’ sociale vaardigheden overigens wel degelijk op de proef gesteld. Want nu hij noordwaarts rijdt, moet hij wel even langs bij zijn ex en dochter, en bij een vroegere vriendin. En als hij een map met teksten moet ophalen in het verlaten appartement van zijn vader, maakt hij kennis met diens buurvrouw, die de sleutel heeft.

Die ontmoetingen verlopen teleurstellend. Als Max zijn puberdochter uit eten neemt, blijkt die meer verdiept in haar blackberry dan in hem, (geen wonder misschien, nadat hij de tiener heeft verrast met een kleurboek). De avances en oprechte bezorgdheid van de wat rijpere vrouwen op zijn weg wimpelt Max af.

In plaats daarvan vat hij liefde op voor zijn navigator (hier beter bekend als tomtom), die hij Emma noemt en die zich gunstig onderscheidt van de vrouwen die hij kent, omdat ze rustig blijft als hij zo stom is een verkeerde afslag te nemen. Zelfs als hij haar uitscheldt of helemaal uitzet, klinkt in haar stem geen verwijt door: „Dat is een hele zeldzame eigenschap voor een vrouw.”

In Max’ pogingen om échte mensen (vrouwen vooral) te ontlopen, kan Coe zijn komisch talent prachtig kwijt. Toch is Max’ relaas behalve geestig ook spannend, want diep in zijn hart hunkert Max natuurlijk wél naar vrienden van vlees en bloed; dat maakt deze ultieme loser tot een mens met wie je meeleeft. Je wilt dolgraag weten wát hem nu precies zo schichtig maakt, en Coe is vakman genoeg om de wolkenflarden boven Max’ ziel heel rustig op te laten trekken, totdat je (iets eerder dan Max zelf) begint te begrijpen wat hij zo krampachtig wil vergeten.

Het zijn uiteindelijk niet reëel existerende mensen die door Max’ oppervlakte heen breken, maar de verhalen die ze (over hem) hebben geschreven, en die integraal zijn opgenomen in het boek. Zo zet de literair ambitieuze Caroline een autobiografisch verhaal op Mumsnet, waarin Max zichzelf onmiddellijk herkent als jammerlijk falende vader. En tussen de papieren van zijn vader vindt Max een verhaal dat een nog pijnlijker familiegeschiedenis onthult. Alleen die indirecte confrontatie, in de aloude vorm van het verhaal, wrikt Max’ zekerheden los.

Om werkelijk te ’breken’ heeft Max een nog anoniemere (en dus veiliger) gesprekspartner nodig: iemand op wie hij al zijn onderdrukte emoties kan projecteren zonder dat ze boos wordt. U begrijpt het al, het is juist zijn navigator Emma die hier de rol van psychiater krijgt toebedeeld: een mooie vondst van Coe. Er zijn een paar flessen whisky voor nodig, maar dan blijkt zij toch over een groter repertoire te beschikken dan ’deze weg volgen’ en ’over tweehonderd meter omkeren’, en hoort Max haar zeggen: „Niet huilen. Niet huilen, Max. Zeg gewoon de waarheid.” Een ontroerend moment, ondanks het absurde van de situatie.

Natuurlijk is Max niet eenzaam dóór de nieuwe media: de bron ervan ligt (zoals wel vaker bij Coe) in de vorige generatie, in een ongelukkige familiegeschiedenis. Maar de schrijver suggereert wel dat al dat gemail en getwitter, het idee steeds te moeten werken aan de verbreding van je netwerk, slecht kan uitpakken voor de generatie van Max (precies even oud als Coe zelf). Dat is een generatie die in de swingende jaren zestig is opgegroeid, toen relaties evenmin veel moeite mochten kosten. De nieuwe media maken het deze licht contactgestoorde veertigers makkelijk. Zo dreigen zij (en hun kinderen) te vergeten wat er verloren gaat als je niet dezelfde lucht inademt als je gespreksgenoot. Dat is een waarschuwing van belang, lijkt me, al moet gezegd dat Coe zijn boodschap wel vaak herhaalt. Dat draagt bij aan het komisch effect, maar komt de ideeënrijkdom niet ten goede.

Op de laatste bladzijden heeft de auteur nog een verrassing in petto. Als een deus ex machina duikt hij plotseling op naast de arme Max en pepert hem in dat hij niet meer is dan een personage wiens laatste uur heeft geslagen. Waarop Max de schrijver aankijkt en constateert dat diens blik niet vriendelijk is:„Het was alsof ik in de ogen van een seriemoordenaar keek.” Zo spot Coe ook met zichzelf als schepper van papieren mensen. Dat zijn tenslotte net zo goed denkbeeldige vrienden, die je in de steek moet laten als het echte leven roept. Terwijl hij zijn slechtnieuwsgesprek voert met Max, herinnert Coe’s vrouw hem aan dringender taken: „Kun je de meisjes even uit het zwembad halen. (...) Het wordt tijd om naar huis te gaan.”

mailIcon print |