Noorwegen doet al geruime tijd wat Nederland graag wil: kooldioxide opslaan in de bodem. Maar de voortgang stagneert.
Industriële landschappen lenen zich ook voor vogelkolonies. Een wolk drieteenmeeuwen stijgt op als een zeearend komt kijken of er wat te roven valt. Kolossale betonnen gastanks in een woud van glimmende pijpen weerkaatsen het gekrijs. Dit is Melküya, een eilandje op een steenworp van Hammerfest, een kleine stad in het vrijwel ongerepte hoge noorden van Noorwegen.
Kari Mette Darell Holand van energiemaatschappij Statoil wijst in deze industriële wildernis op een compacte verzameling buizen en pijpen. Daar staat zij dan, sinds 2008 in gebruik, de installatie die kooldioxide (CO2) vangt en afvoert naar een bron 2600 meter onder de zeebodem, 145 kilometer hier vandaan. „Het gas dat wij opboren, bestaat voor 6 tot 8 procent uit CO2. Dat moet er uit omdat wij het gas vloeibaar maken en afvoeren met tankers. Dat levert zevenhonderdduizend ton CO2 per jaar op – indertijd 2 procent van de totale CO2-uitstoot van Noorwegen – die je normaal gesproken zou laten ontsnappen. Maar dat is duur in Noorwegen; we betalen zo’n 40 tot 45 euro per ton CO2. Koolzuurgas vangen en opslaan is het alternatief. We pompen het naar een bron van poreus zandsteen die nu gevuld is met water. Onze onderzoekers gaan ervan uit dat het daar zeker honderdduizend jaar blijft. We monitoren doorlopend.”
Een premie op CO2-uitstoot, zoals Europees wordt overwogen, werd in Noorwegen al in 1991 ingevoerd. Dat stimuleert. In 1996 nam Statoil voor het gasveld Sleipner in de Noordzee de eerste ’full-scale’ installatie in gebruik voor het vangen en opslaan van CO2 (CCS, carbon capture and storage). Sindsdien is daar tien miljoen ton klimaatgas duizend meter diep onder de zeebodem gepompt.
Noorwegen, met zijn gas- en olievelden, produceert voor zo’n dunbevolkt land relatief veel klimaatgas. Dat leidt tot zorg, zeker als je binnen de eigen landsgrenzen de gletsjers ziet verdampen. Noorwegen heeft dan ook torenhoge ambities bij het terugdringen van de CO2-uitstoot.
Met verwijzing naar president Kennedy, die zijn volk binnen tien jaar een maanlanding beloofde, zei de Noorse premier Jens Stoltenberg in 2007: „Noorwegen nam een pioniersrol op zich toen het besloot dat de uitstoot van de gasgestookte elektriciteitscentrale in Mongstad vrij van CO2 moet zijn. (...) Onze visie is dat we binnen zeven jaar de techniek hebben om klimaatgassen te vangen. Dat is een belangrijke doorbraak in het streven de CO2-uitstoot in Noorwegen omlaag te brengen. Dát is ónze maanlanding.”
Kennedy maakte zijn maanlanding op tijd waar, maar de Noorse variant werd dit voorjaar uitgesteld. CO2 vangen bij gasvelden was al gebruik toen Stoltenberg zijn ’historische’ woorden sprak, maar bij grote elektriciteitsinstallaties en raffinaderijen zoals in Mongstad is dat toch andere koek. Niet reeds in 2014, maar pas 2018 en mogelijk later wordt Mongstad CO2-vrij (jaarlijks tot 2,5 miljoen ton CO2). De techniek is nog onvoldoende ontwikkeld, zegt de regering. Zo zouden er nog onvoldoende garanties zijn dat bij het gebruik van aminen om het CO2 te vangen, geen kankerverwekkende stoffen vrijkomen.
De Noorse milieubeweging is anders dan de Nederlandse aanzienlijk minder sceptisch over CCS en ontplofte na deze mededeling vanuit Oslo. „De techniek is er al lang en die is beproefd”, zegt Bjürn UtgÃ¥rd van milieubeweging Bellona. „Gezondheidsaspecten worden nu als excuus gebruikt. Aminen worden al gebruikt, onder meer op Sleipner en Melküya. Daar moet je natuurlijk serieus mee omgaan, maar dat is niets nieuws, daar zijn maatregelen voor. Mongstad is echter een politiek verhaal geworden, het gaat niet meer om techniek. De regering zoekt bezuinigingen en hoofdrolspeler Statoil maakt geen haast, want er spelen grote bedragen. Stoltenberg is opgeschoven van full-scale CCS naar louter het ontwikkelen van technieken op dat terrein.”
Op Mongstad staat dus wel een testinstallatie (waarin ook Shell participeert) te pronken met een capaciteit van honderdduizend ton CO2. Maar opslag is er voorlopig niet, dus gaat het gas weer de lucht in. Toch was demissionair minister Van der Hoeven (economische zaken) onder de indruk toen zij de installatie in juni bezocht, zag haar voorlichter Jan van Diepen. „Ze zijn daar ook erg ver.”
Nederland wil ook graag klimaatgas onder de grond stoppen, maar stuit daarbij soms op forse weerstand, zoals bij de plannen voor opslag onder Barendrecht. Actiegroepen vrezen een ramp als het CO2 in één keer ontsnapt en het de bewoners verstikt. Dat is een angst die eerder een Noorse professor ook uitte: Wat als het CO2 van Mongstad door een aardbeving ineens vrijkomt? Mensen in de regio Bergen zouden massaal sterven! Bij minder lekkage verzuurt de zee, wat rampzalig is voor het ecosysteem.
Het CO2 van het Sleipner-gasveld wordt opgeslagen in de zogeheten Utsira-formatie. In een bron in diezelfde laag wordt zwaar verontreinigd proceswater van de boorplatforms gepompt en die blijkt nu al geruime tijd te lekken. Blijft het klimaatgas dan wel op zijn plek?
„Dat lekt niet”, zegt üistein Johannessen van Statoil stellig. „Binnen die formatie zijn gescheiden compartimenten. Dat proceswater is op een heel andere plek opgeslagen en wordt onder veel grotere druk geïnjecteerd dan CO2. Daar is het fout gegaan. We monitoren al meer dan tien jaar de CO2-opslag en daar is niets aan de hand. De eerste jaren zijn het belangrijkst: als je dan geen lekken meet, is het niet waarschijnlijk dat die nog gaan optreden. CO2-opslag kan ook in oude gasvelden onder het vasteland, maar het is zeer belangrijk dat je goed peilt of je het goede reservoir in gebruik neemt en met de goede druk injecteert. Garanderen dat er nooit een lek optreedt, nee, dat zou ik niet kunnen.”
Eenzelfde verhaal steekt Bellona’s UtgÃ¥rd af: „De opslag vindt plaats in bronnen waar miljoenen jaren gas of olie zat, dus waarom zouden ze nu geen CO2 vasthouden? Angst onder mensen wordt vooral ingegeven door gebrek aan kennis. In Duitsland zag ik demonstranten tegen CCS met spandoeken met gasmaskers. Een masker helpt niet bij CO2, dan heb je een zuurstoftank nodig. Dan nog, als een opslag zou lekken, dan gaat dat mondjesmaat, die loopt niet in één keer leeg. Lekkage kun je niet uitsluiten, maar CCS is het risico waard. Je weet in elk geval zéker dat de hoeveelheid CO2 in de atmosfeer lager is dan wanneer je niets zou doen. Met het oog op de klimaatverandering is er geen andere keuze.”
Met dat standpunt zijn niet alle collega’s uit de milieubeweging het eens. Greenpeace bijvoorbeeld moet niet veel van CCS hebben, onder meer omdat de industrie deze mogelijkheid als argument gebruikt om gewoon op de oude voet door te gaan en geen doorbraken forceert met alternatieve, schone energie. Miljarden euro’s kun je maar één keer uitgeven, en als die naar CCS gaan, zitten ze niet in zonnecellen.
UtgÃ¥rd: „Ik begrijp de sceptici wel en ze hebben gelijk, maar het is fout CCS af te wijzen. Er kan op korte termijn veel CO2 gevangen worden en dat is hard nodig. Het is een techniek die ook op andere installaties dan centrales en raffinaderijen te gebruiken is. Bovendien: als centrales ook met biomassa gevoed worden, kun je zelfs een negatieve balans krijgen en dus meer CO2 bergen dan je aan fossiele CO2 uitstoot.”
Van der Hoevens woordvoerder Van Diepen: „Het streven in Nederland is 20 procent duurzame energie in 2020. Dan heb je nog steeds 80 procent fossiele brandstof. Deskundigen zeggen dat we het ons met het oog op de klimaatverandering niet kunnen veroorloven CCS te laten liggen. Het is dus geen kwestie van of/of, maar en/en.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.