Niemand gaat het onderwijs in om het geld. Ja, wellicht om je brood te verdienen. Maar niet omdat de salarissen er goed zijn, want dat zijn ze niet.
Al in 2005 stelde het ministerie van binnenlandse zaken vast dat tweedegraads vakdocenten in het voortgezet onderwijs maar liefst 10 procent onder hun marktwaarde verdienen, en universitair opgeleide eerstegraads docenten zelfs 23 procent. Beide beginnen hun carrière met een maandsalaris van rond de 1650 euro netto. En dat loopt dan elk jaar met 70 euro op. Tjonge. Bedenk daarbij dat het toekomstig kabinet de studieschuld van eerstegraads leraren wil verdubbelen van 15.000 tot 30.000 euro, en het collegegeld à 1700 euro voor hun masteropleiding (om een lesbevoegdheid te behalen) wil ’vrijlaten’, waardoor het wellicht verdubbelt of erger. Van dat toch al povere maandsalaris gaat dus nog zo’n 250 euro af. Ook als de beginnende leraar zich genoodzaakt ziet om parttime te werken.
Het kan niet anders: mensen gaan om andere redenen het onderwijs in dan vanwege het geld. Omdat ze van lesgeven houden, omdat ze dol zijn op hun vak, omdat leerlingen helpen te leren een nobele en bevredigende bezigheid is. Fijn, jongens, die ’roeping’. Hartstikke goed.
Maar al te goed is buurmans gek, en leraren hebben in de afgelopen decennia herhaaldelijk meegemaakt dat met hun salaris een loopje werd genomen. Al bij de vorige recessie, halverwege de jaren tachtig, betaalden leraren het gelag van de crisis. Dus: van het overheidstekort. Minister Deetman (CDA) legde een ’onderwijskorting’ op aan alle leraren: elke maand minder loon omdat je het vuige lef had om in het onderwijs te werken. Bovendien verlaagde hij de salarissen van de hoogst opgeleide leraren met een kwart; ’bij zoveel werklozen komen ze toch wel’, moet hij gedacht hebben.
Niet dus. Want sedertdien is de instroom van academici in het onderwijs maar een schijntje in vergelijking met onze buurlanden. Voor een fooi komen die academici niet meer. Gek hè? Ze verdienen 1650 euro netto in de maand na een 5- of 6-jarige – steeds duurder betaalde – wetenschappelijke opleiding, of zelfs een promotie. Als beleidsambtenaar huisvuilzaken verdien je direct een stuk meer. En dan heb je betere vooruitzichten en geen lastige leerlingen en elk weekend correctiewerk.
Inmiddels wordt een op de drie lessen in het voortgezet onderwijs gegeven door niet- of onvoldoende gekwalificeerde leraren. Een schande, die ons onvolprezen ministerie probeert te verhullen of te relativeren.
Nu, bijna 30 jaar later, is er dan een nieuwe economische crisis. De Pavlov-reactie van CDA en VVD: bezuinigen op de leraren. Samen met de PVV stemden zij vorige week voor het achterstellen van lerarensalarissen bij de markt. Het is ook altijd hetzelfde: in crisistijd zijn leraren steevast de pineut, in tijden van voorspoed missen zij de boot. In verkiezingstijd is het onderwijs de getapte jongen; daags erna is het onderwijs het slachtoffer van bezuinigingen.
Welk kabinet er ook komt: VVD, CDA en/of de PVV zullen er aan deelnemen. Alle drie hadden ze eerder de mond vol over het belang van goed onderwijs of over de kenniseconomie. Maar goed onderwijs begint en eindigt met het werven van goede leraren. Sterker nog: met de beste leraren die wij kunnen aantrekken. Elke euro besteed aan goede leraren brengt zichzelf meer dan op.
De partij-ideologen vallen van hun stokje. De zo marktgerichte VVD wil bij een overschot wel bezuinigen op leraren, maar bij een structureel tekort aan leraren – en zeker aan goed opgeleide leraren – wil de VVD ondanks dat ’marktgerichte’ principe niet de portemonnee trekken. Het CDA draagt traditioneel verantwoordelijkheid over aan het maatschappelijk middenveld, lees: de schoolbesturen, maar verzuimt haar grondwettelijke taak van het toezicht op de lerarenkwaliteit waar te maken.
Van de VVD moeten we het argument slikken dat hooggesalarieerde bestuurders van banken en ziekenhuizen nu eenmaal veel kosten omdat ze anders naar het buitenland vertrekken. Maar als hooggekwalificeerde academici naar andere beroepssectoren vertrekken dan het onderwijs, dan is de VVD niet bereid om ze met financiƫle middelen binnenboord te houden.
Daarmee accepteren VVD en CDA in het onderwijs de middelmatigheid, en daarom moeten beide partijen de komende jaren hun mond houden over ’onderwijskwaliteit’ en ’kenniseconomie’.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.