Misery memoirs, getuigenissen van een nare jeugd, zijn populair. Maar zelden zijn ze zo knap en zo zonder zelfbeklag geschreven als ’Wij drieën’ van Julia Blackburn.
Zes jaar was Julia Blackburn toen ze een briefje onder de deur van haar vaders studeerkamer schoof. ’Lieve papa’, stond er op. ’Ik haat je. Veel liefs, Julia.’ Niet de meest gebruikelijke woorden voor een klein meisje, maar Blackburn kreeg dan ook niet de meest gebruikelijke opvoeding. Haar ouders waren beiden kunstenaar: vader Thomas Blackburn (1916-1977) was dichter, moeder, Rosalie de Meric (1916-1999) schilderes.
Ze trouwden in 1945 en betrokken een woning in Chatham, ten oosten van Londen. Vanaf het begin werd hun huwelijk getekend door ruzie en geweld. De geboorte van Julia, drie jaar later, veranderde daar niets aan. Integendeel: Rosalie, een gepassioneerde, wulpse vrouw, die er voor haar huwelijk – en daarna – talloze minnaars op na hield, was ziekelijk jaloers en hunkerde naar aandacht. Thomas raakte al snel verslaafd aan drank en pillen en sloeg als hij een kwade bui had niet alleen de huisraad aan diggelen, maar mishandelde ook zijn vrouw. Dat Thomas daarbij zijn dochter ontzag, maakte de verhouding tussen hem en zijn vrouw alleen maar moeilijker, want Rosalie, die ook al geen gelukkige jeugd had beleefd, beschouwde haar dochter als een concurrente.
Na een aaneenschakeling van dramatische scheldpartijen, mislukte verzoeningspogingen en halve moordaanslagen besloten Julia’s ouders in 1961 uit elkaar te gaan. Thomas kon terecht bij een van zijn drie vriendinnen. Julia bleef bij Rosalie, die een serie van mannelijke huurders in huis nam, met als doel hen zo snel mogelijk in haar bed te krijgen.
Geen gelukkig verhaal dus, deze memoires. En geen wonder dat de Britse pers ’Wij drieën’ associeerde met de zogenaamde misery memoirs, herinneringen aan een problematische jeugd, zoals ’Please, Daddy, No’ van Stuart Howarth, waarin de auteur vertelt hoe hij als kind door zijn vader seksueel werd misbruikt, als puber verslaafd raakte aan drugs en vervolgens zijn vader vermoordde. Zo populair zijn dergelijke boeken – per jaar brengen ze zo’n 24 miljoen pond op – dat veel boekhandels ze in aparte kasten onderbrengen. Ook ’Wij drieën’ belandde bij sommige winkels in zo’n kast.
Maar hoewel Blackburns boek voor een groot deel gaat over de verschrikkingen waaraan haar ouders haar en zichzelf blootstelden, blijft haar toon, anders dan bij de meeste voorbeelden uit dit genre, wonderlijk optimistisch, en zelfs liefdevol. Over haar vader, die haar vaak angst aanjaagde door onder de eettafel als een dolle hond te zitten grommen, schrijft ze met medelijden en bewondering. Ze maakt duidelijk dat hij op zijn beurt door zijn ouders werd mishandeld en dat zijn verslaving van hem een slechter mens maakte dan hij in werkelijkheid was. Ontroerend zijn de passages waarin ze uit zijn brieven aan haar citeert. Die werden in de loop der jaren weliswaar steeds verwarder, maar toch spreekt daaruit voortdurend bezorgdheid voor zijn enige kind – hij geeft haar raad en probeert haar tegen haar moeder te beschermen.
Dat laatste was niet overbodig. Rosalie schepte er niet alleen genoegen in Julia aan haar mannelijke kamerhuurders te koppelen en dan achter de deur van haar dochters slaapkamer te staan luisteren. Ze bracht haar jonge dochter ook graag op de hoogte van haar seksuele escapades. Zo liet ze graag naaktfoto’s van zichzelf zien, op een bijna afstotende manier. Maar Blackburn schrijft erover met medelijden en tederheid: „’Wil je mammie zien zonder kleren aan?’, vroeg ze lachend, maar toch was het ook met een zekere ernst dat ze die tere schatten tevoorschijn haalde uit een van de krappe zijvakjes van haar leren aktetas, gevuld met zijn talloze vreemde geheimen.”
Echt mis ging het tussen moeder en dochter toen Julia een verhouding kreeg met een man op wie Rosalie verliefd was, en die zelfmoord pleegde toen Julia hem verliet. Pas in 1999, kort voor Rosalie’s dood, verzoenden moeder en dochter zich met elkaar. Die verzoening was voor Blackburn, die inmiddels naam had gemaakt met drie romans en vijf biografieën, aanleiding om haar herinneringen aan haar ouders op schrift te stellen, maar ook om naar haar eigen rol in deze merkwaardige verhouding te kijken. Dat doet ze in dit boek óók, en indrukwekkend open en bekwaam. Ze verzamelde brieffragmenten, dagboekaantekeningen, foto’s, gedichten en faxberichten aan haar tweede man (geschreven tijdens het stervensproces van haar moeder), verbond die met bewonderenswaardige souplesse aan haar eigen herinneringen en gaf daarop haar commentaar als zestigjarige, inmiddels zelf moeder van twee volwassen kinderen.
Het mooist is de manier waarop ze haar eigen schrijfsels citeert en becommentarieert: met een ontroerende mengeling van compassie en verbazing, alsof ze zichzelf als een vreemde bekijkt. Zoals de brieven die ze aan haar moeder schreef, toen ze, niet ouder dan negentien, samenwoonde met een Spaanse schilder. „In die brieven klink ik niet bepaald als de zelfverzekerde jongvolwassene die ik meende te zijn, maar eerder als een bang kind dat om hulp vraagt.”
Dat dit boek nergens in zelfbeklag en verwijten verzandt, heeft niet alleen te maken met Blackburns relativeringsvermogen en compositietalent. Kort voordat Thomas Blackburn stierf, vertelde hij zijn dochter dat hij tot het volgende inzicht was gekomen: „Omdat we zelf onze ouders kiezen, moeten we ze vergeven, als we tenminste onszelf willen vergeven en niet onder die spanning gebukt willen gaan”. Hijzelf was niet meer in staat dit in praktijk te brengen. De memoires van zijn dochter laten zien hoezeer zij zijn raad ter harte nam en hoe doeltreffend die was, niet alleen voor haarzelf, maar ook voor haar lezers.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.