Er wordt dezer dagen veel getobt over de kloof tussen burgers en politici. De Britse historicus Tony Judt weet de oplossing ook niet, maar geeft wel een heldere analyse van de oorzaken. Althans van één daarvan. Hoe en wanneer verloren sociaal-democraten hun gezag? En had het anders gekund?
Iedereen weet dat het niet goed gaat met de politiek. Veel kiezers hebben hun vertrouwen in de gevestigde partijen verloren en zien politici als een nog nauwelijks te verdragen mensentype. Die burgers zoeken hun heil bij populistische leiders: links of rechts, Marijnissen of Wilders, dat schijnt niet uit te maken.. Ze stemmen op een partij die het dier centraal stelt of besluiten het stemlokaal maar helemaal te mijden. Hoe die kloof tussen kiezer en gekozene te overbruggen valt, weet eigenlijk niemand. Vast staat alleen dat eenmaal verloren gegaan vertrouwen moeilijk is terug te winnen.
Over de oorzaken van dit democratische deficit wordt veel nagedacht en gedebatteerd. Het resultaat is een kakofonie van beter of slechter beargumenteerde opinies, die om het nog verwarrender te maken vaak allen wel een kern van waarheid bevatten. Het is in dit bestek ondoenlijk ze zelfs maar summier te bespreken, maar de effecten van de globalisering, de ondoorzichtigheid van het bestuur, het tekort schieten van (overheids)instanties, het ontkennen of te laat onderkennen van de immigratieproblematiek, en vooral, het gebrek aan leiderschap, ze spelen allemaal mee.
Aan dit koor is nu ook de stem van de vermaarde Brits -Amerikaanse historicus Tony Judt toegevoegd.
Het is zo goed als zeker de laatste keer dat hij zich mengt in het grote, ook internationaal gevoerde debat over de wankele positie van de traditionele politiek in deze door de wispelturige kiezers gedomineerde vertrouwenscrisis.
Judt is sinds twee jaar ongeneeslijke ziek en sinds oktober verleden jaar vanaf zijn nek verlamd. Het zegt alles over zijn mentale veerkracht dat hij ondanks deze slag is blijven doorwerken.
Vorig jaar december hield hij in New York een twee uur durende lezing over de teloorgang van de sociale politiek. Die lezing werd de kiem van zijn nieuwste boek, ’Het land is moe; een verhandeling over onze ontevredenheid’, dat de cri de coeur van een overtuigde sociaal-democraat kan worden genoemd. Het boek is een analyse van de huidige malaise en een afrekening met de neoliberale aanslag op wat hij de sociaal-democratische consensus noemt. Het biedt voor wie het debat heeft gevolgd weinig opzienbarende inzichten. Dat mag je gezien de boekenberg die als een vulkanische uitstulping uit de crisis is ontstaan ook niet verwachten. Maar het is een gedegen en goed geschreven geschiedenis van de opbouw van de verzorgingsstaat en de neoliberale pogingen om haar te slopen. De nieuwkomer die wil weten hoe het zover heeft kunnen komen kan hier beginnen. Judt zelf heeft in het bijzonder de jeugd op het oog en het boek is dan ook opgedragen aan zijn beide zoons Daniel en Nicholas.
De ideologie achter het sloopwerk kan worden samengevat in de slogan: meer markt en minder staat. De overheid moest een paar forse stappen terugdoen en bij de taken die ze nog zou uitvoeren een meer bedrijfsmatige aanpak hanteren. De sleutelwoorden waren privatisering (het afstoten van staatsbedrijven als de post en telecommunicatie, spoorwegen enzovoorts), en deregulering (het reduceren van de bureaucratie). Efficiency werd ook voor de overheid de allesbeheersende maatstaf. De namen die hier vooral mee zijn verbonden zijn die van de Amerikaanse president Ronald Reagan (1980-1988) en de Britse premier Margareth Thatcher (1979-1990). Voor Reagan was de overheid ‘nooit de oplossing maar altijd het probleem’ en voor Thatcher was er ‘niet zoiets als een samenleving’.
Tot hun verschijnen was de sociaal-democratie de dominante regeringsvorm in het naoorlogse West-Europa geweest; ook de VS waren, hoewel mindere lang, in handen van de Democraten. De sociaal-democraten en hun liberale en christen-democratische bondgenoten hadden de verzorgingsstaat opgebouwd of verder uitgebouwd. Dankzij sociale voorzieningen was het niet langer een ramp werkloos, ziek of oud te worden. Onderwijs werd gratis en/of gesubsidieerd, sociale woningbouw zorgde voor redelijke behuizing, cultuur was niet langer het privilege van de happy few. De ‘kleine man’ had eindelijk de kans gekregen een volwaardig burger te worden en ook de middenklasse profiteerde mee van het sociaal-democratische verheffingswerk. De Britse premier MacMillan, een verlichte conservatief, vertolkte de stemming van die jaren waarschijnlijk het best: „jullie hebben het nog nooit zo goed gehad”.
Judt is teveel historicus om geen schaduwen te ontwaren in dit op het eerste gezicht zonovergoten landschap. Sociale woningbouw ontaardde maar al te vaak in gruwelijke opbergsystemen, de consensus in verstikkend conformisme en het ambtelijke apparaat in een bureaucratische willekeurmachine. Verzorging van de wieg tot het graf was mooi, maar niet als elke ondernemingszin al in die wieg werd gesmoord.
De onvermijdelijke reactie kwam van twee kanten: van de jeugd, die protesteerde tegen de bedompte bevoogding, en van rechts, dat inspeelde op de steeds duidelijker wordende manco's van de uit zijn voegen barstende verzorgingsstaat.
Judt signaleert dit uiteraard wel, maar schenkt te weinig aandacht aan de omvang van de problemen die begonnen met de oliecrises van de jaren zeventig. Doorgaan op de oude weg was absoluut onmogelijk. De sociaal-democratische consensus leed schipbreuk op de fatale combinatie van stijgende werkloosheid en inflatie, waarvoor de term stagflatie werd bedacht, en maakte plaats voor een nieuwe: namelijk dat de overheid een te groot beslag legde op de economie.
Voor deze nieuwe consensus werd de munitie geleverd door een aantal voormalige Oostenrijkse economen en filosofen, zoals de latere Nobelprijswinnaar voor economie, Friedrich von Hayek, die de goeroe van Thatcher en Reagan zou worden. Marktprincipes moesten het leidende beginsel worden, ook bij de overheid.
Bij de uitvoering van hun blauwdrukken hadden deze neoliberalen het tij ook in de wereldpolitiek mee. Sinds de Val van de Muur in 1989 was ongeveer alles met het predicaat ‘sociaal’ in diskrediet geraakt.
De gevolgen van deze omwenteling zijn bekend. Het ging onder de nieuwe consensus inderdaad beter met de economie, maar tegen een hoge prijs. De sociale ongelijkheid werd groter. De verzorgingsstaat werd misschien niet gesloopt, maar wel fors ‘versoberd’. De privatisering van staatsbedrijven lukte soms wel (telecommunicatie), maar even vaak niet (spoorwegen). De managementcultus bij de (semi)-overheid leidde tot meer in plaats van minder bureaucratie. Enfin, de lijst laat zich naar believen aanvullen.
Het meest deprimerend is waarschijnlijk Judts terechte vaststelling dat de sociale cohesie werd uitgehold en dat sociaal-democraten daar dapper aan meededen. Van New Labour in Engeland tot de PvdA werden ‘ideologische veren’ afgeschud. Van Blair tot Kok werd links medeplichtig aan het versjacheren van het sociaal-democratische erfgoed.
De neoliberale zeepbel klapte twee jaar geleden uit elkaar en zal hoogst waarschijnlijk gevolgd worden door een herschikking in het politiek-economische krachtenveld. Judt ziet daarbij hooguit kansen voor wat hij noemt een ‘sociaal-democratie van de angst’, waarbij ze om de gunst van de bange kiezer moet opbieden tegen de populistische verleiders. Dat zal Cohen, wiens visie in essentie bestaat uit ‘de boel bij elkaar houden’, niet graag horen.
Judt had dit punt nader mogen uitwerken. Nu blijft het bij bij een constatering van iets dat onontkoombaar lijkt. Zoals het ook te betreuren valt dat hij geen praktische oplossingen of zelfs maar een aanzet tot oplossingen biedt. Misschien is dat voor zo'n verhandeling ook teveel gevraagd. Op de hamvraag, hoe het vertrouwen in de politiek kan worden hersteld, moet ook Judt het antwoord schuldig blijven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.