*

 

De Derde Wereld bestaat nog maar is kleiner

Paul Hoebink, Bijzonder hoogleraar Ontwikkelingssamenwerking aan het Centrum voor Internationale Ontwikkelingsvraagstukken (CIDIN) van de Radboud Universiteit Nijmegen − 26/06/10, 00:00

De term ’Derde Wereld’ is inhoudsloos nu er zoveel groei is in landen als India en Brazilië. Maar ontwikkelingshulp blijft nodig voor die andere landen.

De Derde Wereld bestaat niet meer, constateerde deze krant vorige week (’Afscheid van de Derde Wereld’, 19 juni). Dat klopt ten dele. De verschillen tussen ontwikkelingslanden zijn de laatste decennia toegenomen. De Derde Wereld bestaat nog wel, maar is kleiner geworden. Moet nu ook de ontwikkelingshulp maar worden gestaakt? Nee, want voor die hulp zijn nog een aantal taken weggelegd.

Het begrip Derde Wereld heeft altijd misverstanden gewekt. Ik herinner me verontwaardigde reacties van collega’s in ontwikkelingslanden die zich afvroegen waarom zij op de derde plaats stonden en gezien hun historie en cultuur niet op de eerste. Het begrip heeft echter nooit een rangorde aangeduid. Het begrip ‘Derde Wereld’ (‘Tiers Monde’) is afkomstig van de Franse demograaf Alfred Sauvy, die het lanceerde in 1952. In het betreffende artikel vergelijkt Sauvy de ontwikkelingslanden met de derde stand. Het woord ‘tiers’ betekent dus niet derde in rang (dat is ‘troisième’), maar derde deel. Sauvy besloot zijn artikel op geheel Franse wijze met de woorden: ‘En misschien zal die Eerste Wereld, getroffen door een felle lichtstraal en zelfs buiten iedere vorm van menselijke solidariteit om, niet ongevoelig kunnen blijven voor die zachte en onweerstaanbare, eenvoudige en verscheurende druk om te kunnen leven. Want uiteindelijk zal die vergeten, uitgebuite, geminachte Derde Wereld, zoals de Derde Stand, zelf ook wat willen zijn’. Die druk bestaat nog steeds.

Het begrip Derde Wereld droeg dus drie kernelementen. Op de eerste plaats is het een emancipatorisch begrip. Om het in oude termen te zeggen: de Derde Wereld moet zich ‘verheffen’ ten opzichte van de Eerste en de Tweede Wereld.

Ten tweede draagt het het idee van de Derde Weg, zoeken naar een weg van economische en sociale ontwikkeling, tussen kapitalisme en communisme in. Dat idee heeft in het huidige tijdperk van mondialisering vanzelfsprekend zijn betekenis geheel verloren.

Ten derde is ‘Derde Wereld’ een containerbegrip: het omvat een groep van landen die qua historie, cultuur, economische en sociale ontwikkeling onvergelijkbaar zijn.

Gezien die verscheidenheid is het niet verwonderlijk dat die Derde Wereld alleen maar vorm, en nauwelijks inhoud, gekregen heeft in internationale fora. Zo was er de Beweging van Niet-Gebonden Landen die probeerde zich tussen de blokken te plaatsen. Meer dan een serie parades van regeringsleiders en ronkende eindverklaringen heeft dat nooit opgeleverd.

Ten tweede was er de Groep van 77, het onderhandelingsforum van ontwikkelingslanden bij internationale conferenties. Achteraf kan men ook daarvan zeggen dat deze alleen in de jaren zeventig, met de macht van de Opec achter zich, wat heeft kunnen afdwingen. Met de economische crisis van de jaren tachtig erodeerde deze invloed.

De economische en sociale ontwikkeling vanaf de jaren tachtig heeft de bestaande differentiatie binnen die zogenaamde Derde Wereld alleen maar vergroot. Naast de grootmachten Brazilië, India en China zijn er land-locked-landen en eilandstaten waar de vooruitgang om verschillende redenen moeizaam verloopt. Eerder dan te zeggen dat de Derde Wereld verdwenen is, zou je kunnen zeggen dat die sterk is verkleind. Er is nog steeds een grote groep landen waarin het merendeel van de bevolking onder de armoedegrens leeft.

Uiteraard heeft dat betekenis voor de ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking. Met die landen die zich snel economisch hebben ontwikkeld, zal ook Nederland naar nieuwe vormen van internationale samenwerking moeten zoeken. Die zal zich vooral richten op handel, wetenschap en cultuur. Daar is hulp slechts een klein ingrediënt om contacten en samenwerking te faciliteren. Voor de armste landen blijven ontwikkelingssamenwerking en –hulp nodig. Dat betekent een goede toegang tot de markten in Europa en vooral ook dat we ervoor zorgen dat wij met allerlei soorten van beleid (landbouw, visserij, milieu) niet markten daar en de wereldmarkt verstoren.

Het betekent ook en nog steeds ontwikkelingshulp om twee redenen: op de eerste plaats – het oude motief – omdat ook Nederland er baat bij heeft als de armoede uit de wereld verdwijnt; op de tweede plaats omdat er grensoverschrijdende problemen zijn (ziektes, milieuvervuiling, oorlogen en geweld), waar ontwikkelingslanden niet de middelen voor hebben om ze aan te pakken.

Juist ook vanwege dat tweede motief is de verdediging van de internationale norm van 0,7 procent van het bruto nationale product van belang. Natuurlijk is het zo dat er maar vier beschaafde landen zijn, waaronder Nederland, die zich al bijna veertig jaar aan deze norm houden. De 0,7 procent is echter niet alleen een norm van beschaving, maar juist nu ook een norm van het delen van lasten. Om die reden is binnen de EU besloten dat de oude lidstaten in 2015 op 0,7 procent moeten zitten. België haalt dat dit jaar al; de nieuwe Britse regering houdt zich aan de afspraak dat men daar in 2013 wil zijn. We moeten, met alle bezuinigingsrondes, wie zich daar verder aan houdt.

Blijft staan dat we niet romantisch moeten zijn: allerlei mooie particuliere initiatieven op het terrein van de ontwikkelingssamenwerking financieren geen vaccinatiecampagnes, ontwikkelen geen lesmateriaal, bouwen geen bruggen en elektriciteitscentrales, leggen geen wegen aan. Het zijn juist deze laatste zaken, gefinancierd ook uit ontwikkelingshulp, die ontwikkeling brengen

mailIcon print |