De multinational Trafigura heeft 55 vestigingen in tientallen landen. De Probo Koala, die door het bedrijf was gehuurd voor het vervoer van olieproducten, is een in Korea gebouwd schip van een Noorse firma, maar wordt beheerd door een Griekse maatschappij, en vaart onder Panamese vlag. De kapitein komt uit de Oekraïne.
Jonathan Verschuuren kan nog wel even doorgaan met het noemen van partijen, partners en vooral nationaliteiten. Wat hij maar wil zeggen is dat de netwerken die opdoemen in het Trafigura-dossier hét voorbeeld zijn van de globalisering van de internationale handel.
Maar de ordners van de Nederlandse strafzaak maken nóg iets duidelijk. Het recht dat burgers moet beschermen tegen de uitwassen van de wereldhandel is gebaseerd op het territoir van staten. Het is vaak letterlijk aan grenzen gebonden. Dus kampen overheden met het probleem: welke staat moet een overtreder vervolgen? Welke vestiging van een international moet vervolgd worden? Wie verleent hulp aan de slachtoffers? En waar moeten zij hun schade verhalen?
Verschuuren heeft zich als hoogleraar Internationaal Milieurecht aan de Universiteit van Tilburg met name verdiept in de wisselwerking tussen internationale, Europese en nationale milieuregelgeving. Voor een publicatie van het International Victimology Institute dook hij in het Trafigura-dossier, en analyseerde de gecompliceerde juridische vervolging van het bedrijf.
„Het internationaal recht is ingewikkeld als het gaat om de aanpak van milieudelicten”, zegt Verschuuren. „Dat recht is met name gebaseerd op allerlei internationale en Europese verdragen, met vage teksten en nationale invullingen. Het moet eerst toegepast worden, en door uitspraken van rechters zullen langzaam maar zeker heldere regels ontstaan. Maar het probleem is dat de verdragen betrekkelijk nieuw zijn.”
In het internationaal milieurecht zijn twee verdragen volgens Verschuuren leidend. Allereerst is er het Verdrag van Bazel uit 1992 dat kortweg het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen moet beheersen. Kern van dat verdrag is dat er geen gevaarlijk afval naar ontwikkelingslanden mag worden vervoerd. Een tweede verdrag, het Marpol 73/78, is een protocol dat het beheer van gevaarlijke stoffen aan boord van schepen reguleert. „Zulke ingewikkelde verdragen kun je alleen in de praktijk toepassen en controleren als handhavingsdiensten internationaal samenwerken”, zegt Verschuuren. „En dat is een zeer moeizame kwestie. Daarnaast is er bij handhavers vaak onvoldoende kennis aanwezig om de internationale afspraken goed na te komen. Ook daarvan is de Trafigura-zaak een voorbeeld. Om kennis en samenwerking op niveau te brengen, zou er eigenlijk een Europese politiedienst moeten komen die de controle in alle havens uitvoert.”
Verschuuren doelt op de verschillende Nederlandse instanties die zich tijdens het verblijf van de Probo Koala in de Amsterdamse haven met de giftige lading hebben beziggehouden, maar niet hebben kunnen voorkomen dat het schip mét gif weer vertrok. „De moeilijkheid was onder meer dat het gif aan boord viel onder de Marpol-regeling, maar toen het gif eenmaal naar de wal was overgepompt het Verdrag van Bazel gold. Het ene verdrag wordt gehandhaafd door ambtenaren van Verkeer en Waterstaat, het andere door medewerkers van Vrom. Eigenlijk wist niemand wat ze met de lading van de Probo Koala aanmoest. Eén coördinerend leidinggevende had moeten zeggen: Stop, schip aan de ketting, dit gaan we eerst eens uitzoeken. Maar het schokkende is dat die figuur er helemaal niet was.”
Dat de internationale verdragen te ingewikkeld zijn voor de individuele lidstaten als het om handhaving gaat is één, zegt Verschuuren. Maar ze beschermen burgers ook nauwelijks. Hoe krijgt een slachtoffer van een dumping in Afrika toegang tot het Nederlands rechtssysteem? Of het Franse? Of het Duitse? Slachtoffers hebben geen kennis, geen geld, en soms niet eens papieren – dus geen officiële identiteit. „Het recht loopt achter bij de globalisering. Het zou goed zijn als we om te beginnen in Nederland eens alle juridische procedures tegen het licht houden met de vraag of zij nog passen in een globaliserende maatschappij en of zij wel voldoende toegankelijk zijn voor partijen van buiten. Ook zou je je kunnen afvragen of de Nederlandse wet op milieugebied niet van toepassing zou moeten zijn op alle activiteiten van Nederlandse bedrijven, ook als die in bijvoorbeeld ontwikkelingslanden plaatsvinden. In Australië wordt zo al gewerkt.”
Geld blijkt vaak een hoge drempel voor een juridische procedure. Verschuuren pleit daarom voor een fonds waaruit slachtoffers van milieudelicten gesteund kunnen worden in hun juridische strijd. „Daarnaast moet er een flexibel team komen onder de vlag van de Verenigde Naties dat getroffen burgers bij milieurampen ter plekke humanitair, technisch en juridisch bijstaat.”
Dan blijft nog open de vraag wáár slachtoffers hun recht moeten zoeken. Verschuuren zinspeelt op een rol voor het Europees hof voor de Rechten van de Mens. „Milieuschade is in het recente verleden door rechters meermalen als schending van mensenrechten gezien, maar dit betrof kwesties in één land. Een proefproces in Straatsburg zou moeten uitwijzen dat dit ook kan gelden als dader en slachtoffer uit verschillende staten komen.” Een bijkomend voordeel van een zaak voor het Europees hof is volgens Verschuuren dat daarin eindelijk eens de slachtoffers centraal staan. En die zijn deze maand in het strafproces in Amsterdam niet te horen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.