*

 

Rijnlander Cohen kan coalitie met het CDA vergeten

Hans Goslinga − 08/05/10, 00:00

Een van de meest verrassende trends in de peilingen is de groei van de VVD. Sinds de val van het christelijk-rode kabinet-Balkenende klommen de liberalen in de politieke barometer van Synovate van 17 naar 30 zetels. In de jaren tachtig beschouwde de partij dat aantal, overeenkomend met ongeveer anderhalf miljoen kiezers, als haar ’ijzeren voorraad’. Nadien bleek dat eerst te pessimistisch, later veel te optimistisch.

De spectaculaire opmars die zich nu aftekent, kan worden verklaard uit voor de hand liggende factoren als behoefte aan verandering en verlies van vertrouwen in de directe concurrenten CDA en PVV. Maar dan nog is het verrassend dat de partij die zich als grootste verdediger van de vrije markt afficheert, aan vertrouwen wint zo kort na het uitbreken van de financiƫle crisis, de grootste ontsporing van de markt in de afgelopen honderd jaar.

Dat kan erop wijzen dat het geloof in het vrije spel van de maatschappelijke krachten diep zit en onwankelbaar is. Bij de VVD zelf is dat duidelijk het geval. De partij voelt wel aan dat er twijfel is, getuige de uitspraak in het verkiezingsprogram dat zij voorstander van de vrije markt blijft. De enige les die de liberalen uit de kredietcrisis trekken is dat de markt een goede toezichthouder nodig heeft. Die rol willen zij de staat nog wel toevertrouwen.

Voor het overige houdt de VVD vast aan de vertrouwde lijn dat de overheid zich zo min mogelijk met de economie moet bemoeien. De keuzevrijheid van de consument staat centraal. Dat betekent kortweg meer besteedbaar inkomen voor burgers door belastingverlaging en een kleinere overheid, het recept van de VVD voor goede zowel als slechte tijden.

De Amerikaanse filosoof Fukuyama, die vlak voor de ineenstorting van het communisme in 1989 de triomf van het liberalisme en daarmee ’het einde van de geschiedenis’ proclameerde, bekeerde zich na de uitbraak van de crisis tot Keynes, de vader van de anticyclische begrotingspolitiek. Die houdt in een krachtige rol van de staat in het economisch leven door vergroting van de overheidsuitgaven in slechte tijden en beperking van die uitgaven bij een opgaande conjunctuur.

Dat was precies de lijn die het kabinet-Balkenende/Bos koos en waar de PvdA onder Cohen ook voor kiest om de economie zoveel mogelijk op gang te houden en nog sneller oplopende werkloosheid te voorkomen. VVD-aanvoerder Rutte, principiƫler in de leer dan Fukuyama, heeft deze lijn, waar het CDA aarzelend in meeging, van begin af aan bestreden. Trouw aan zijn geloof in de vrije markt zette hij in op megabezuinigingen, hoewel de pragmaticus die kennelijk toch in hem schuilt de omvang heeft teruggebracht van veertig tot twintig miljard euro.

In de ongerijmdheid van de opgang van de VVD weerspiegelt zich eens temeer het fiasco van de christelijk-rode coalitie. CDA en PvdA lukte het niet de politieke basis te leggen voor een alternatief dat steunt op andere waarden dan louter consumentenvrijheid.

Dat onvermogen is Balkenende en Bos zwaar aan te rekenen. Zij hadden een voorbeeld kunnen nemen aan hun voorgangers Beel en Drees, die na de oorlog een ordening van het sociaal-economisch leven tot stand brachten, die niet alleen werd ingegeven door de noodzaak van wederopbouw maar ook een direct ideologisch antwoord was op de kapitalisme dat in de jaren dertig nog rauw en vrijwel ongebreideld was.

De rooms-rode samenwerking werd door Beel ’het nieuwe bestand’ gedoopt. Hij deed dat met vooruitziende blik, want dat bestand, dat (lang niet helemaal, maar politiek voldoende) afrekende met het langdurige wantrouwen tussen beide stromingen, hield het twaalf jaar uit. De nieuwe ordening, die toen overlegeconomie en nu Rijnlands of poldermodel wordt genoemd, was een middenweg tussen de vrije markt en de socialistische planeconomie. In de kern kwam het erop neer dat de economische dynamiek voortdurend werd getoetst aan het algemeen belang, het bonum commune dat in de katholieke visie een voorname rol speelde.

De verklaring voor de weerstand van het huidige CDA jegens de PvdA kan zijn dat deze visie aan invloed heeft verloren. De protestanten, die sinds het begin van deze eeuw een zwaar stempel op het christen-democratische denken drukken, hebben zich met hun accent op de persoonlijke verantwoordelijkheid altijd meer thuis gevoeld bij de liberalen. De gereformeerde Balkenende staat duidelijk in de traditie van zijn idool Colijn, die in de jaren dertig de socialisten buiten de deur hield en de invloed van de katholieken (tot hun frustratie) op zijn protestants-liberale, Angelsaksische beleid beperkte.

Van begin af was dus al twijfelachtig of het christelijk-rode kabinet zou slagen in zijn missie de sociale cohesie in de geïndividualiseerde samenleving te herstellen. Naast de nieuwe Colijn in het Torentje zaten er nog twee liberale protestanten in het kabinet, Klink en Donner, beiden op een sleutelpost. Het was geen toeval dat het ontslagrecht en het uitbreiden van de vrijemarktwerking in de ziekenhuizen tot de heftigste twistpunten behoorden (dat laatste bleef door de Uruzgan-kwestie onderbelicht).

Voor zover de katholieken zich de laatste jaren in het CDA deden gelden, is dat in het integratiedebat, waar zij op hun beurt de partij naar rechts trekken, zelfs richting PVV, getuige het baltsgedrag van partijvoorzitter Van Heeswijk en het nee van de fractie tegen de aanstelling van de eerste legerimam. Mocht de Rijnlander Cohen al denken aan een hernieuwde samenwerking met het CDA, moet hij weten dat deze partij wel Rijnlands spreekt, maar Angelsaksisch handelt.

mailIcon print |