*

 

Schrijver met een scherpe lading

Iris Pronk − 10/05/10, 00:00

Er zat een boos ’ding’ in Theo’s hoofd, dat hij met alcohol probeerde te verzachten. Later vond hij er een woord voor: borderline.

  •  (Trouw)
    (Trouw)
  •  (Trouw)
    (Trouw)

Mijn roman is af, schreef Theo van der Nat op 17 maart in een e-mail. „Alles zit erin. Humor, dood, liefde, seks.” Het resultaat van zijn jarenlange arbeid noemde hij ’Hotspot’. Theo was er apetrots op.

Tijdens het schrijven had hij zichzelf wel eens een kinderlijke fantasie gegund: ’Mijn boek wordt gepubliceerd en ik word rijk’. Maar Theo was ook een realist, hij beschouwde zichzelf niet als een literair wonder.

Wel als een man met een verhaal, dat zo rauw was dat hij er zelf, achter zijn computer, wel eens naar van werd. Dan kreeg hij hartkloppingen, ging bijna hyperventileren. Ploeteren in ’de donkerste krochten’, zo noemde hij het schrijven wel.

Zijn levensverhaal, waaruit Theo voor zijn roman en gedichten rijkelijk putte, begon op 20 september 1959 in Gouda. Hij was een zondagskind, maar van het bijbehorende geluk zei hij later weinig te merken: ’Ik leek eerder bezeten door de duivel.’

Van zijn jeugd, als derde zoon in een gezin van vier kinderen, bleven vooral scherpe flarden hangen in zijn brein: geweld, geldzorgen, veel verhuizingen, onveiligheid. Tijdens het verstoppertje spelen bij een vriendje thuis raakte Theo eens opgesloten in een kast. Het was zijn eerste jeugdtrauma: hij zou altijd bang in het donker blijven.

Zijn schoolcarrière verliep in aanvang aardig: Theo haalde een lts-diploma en stootte door naar de mts. Maar daar hield hij het na krap twee jaar voor gezien. Geld verdienen wilde hij, net als zijn vrienden. Hij werd lijstenmaker, later onder meer brandweerman, vrachtwagenchauffeur, magazijnmedewerker, fietsenverkoper en lokettist.

Dat Theo het in zijn vele betrekkingen meestal maar korte tijd uithield, kwam door twee gevaarlijke krachten, die opdoemden tijdens zijn tienerjaren. De eerste was de drank, die zijn avonden en al spoedig ook zijn dagen kleurde. Na een nachtje zuipen, moest Theo bij wijze van ontbijt een biertje om te ’herstellen’.

De tweede kracht was iets duisters, een onbegrepen ’ding’ in zijn hoofd. Als jongeman, inmiddels getrouwd met zijn jeugdliefde, voelde hij soms een blinde woede in zich opborrelen. Een rood waas kwam er dan voor zijn ogen, een leeg gevoel bekroop hem, een ’hersenwoelen’ maakte hem gek.

Pas veel later, in 1999, ontdekte Theo bij toeval dat er een officiële naam was voor zijn ’ding’: borderline. Hij las een artikel in de Utrechtse daklozenkrant Straatnieuws over deze persoonlijkheidsstoornis en concludeerde dat hij alle symptomen had. Dat gevoel van leegte, snel wisselende stemmingen, een hang naar verslavingen, driftbuien.

Het etiket ’borderline’ gaf Theo inzicht en hielp hem vanaf dat moment zijn ziekte te beheersen. Het gaf hem ook een taak: Theo wilde de wereld graag uitleggen hoe deze stoornis een mens kan ontregelen.

Maar vóór het inzicht kwam de explosie. Theo liep met een bom in zijn hoofd, die ontplofte in januari 1992. Met een zatte kop pleegde hij een overval, waarna hij naar België vluchtte, met de bedoeling zich daar kapot te drinken. Dat lukte bijna; meer dood dan levend, volkomen uitgeput en broodmager, gaf hij zichzelf tenslotte aan bij de politie in Maastricht.

Een gevangenisstraf volgde, en daarna was Theo alles kwijt: zijn vrouw, de twee kinderen die ze inmiddels samen hadden en die hij nooit meer zou zien, zijn huis, zijn werk, zijn familie. Eén bom, één fout – ze lieten een spoor van vernielingen achter in Theo’s leven en dat van zijn naasten.

Theo raakte dakloos, zwierf eerst rond in Alkmaar, kwam in 1995 in Utrecht terecht. Daar sliep hij aanvankelijk buiten, later in verschillende opvanghuizen en korte periodes ook in het psychiatrische ziekenhuis. Maar toen ontdekte hij Straatnieuws, en daarmee een opstapje naar een beter leven.

De krant bood hem huisvesting én een vrijwilligersbaan: Theo kreeg een kamer boven het kantoor en werk achter de balie. Daar ontpopte hij zich al gauw tot een betrouwbare kracht, een soort vaderfiguur voor de dakloze ’jongens’. Eén zo’n jongen, die ook boven het Straatnieuws-kantoor woonde, dreigde eens af te glijden, terug de straat op. Niemand wist tot hem door te dringen, maar Theo wél: hij praatte met hem als een wijze oom, en wist de jongen binnenboord te houden.

Straatnieuws boorde bij Theo ook een ander talent aan: schrijven. Zijn gedichten en columns verschenen in de krant onder het pseudoniem TN of TN Verharen. Theo ging ook optreden op festivals, waar hij indruk maakte door de bezieling waarmee hij zijn doorleefde poëzie het publiek in slingerde.

Theo was begeistert, zeggen mensen die hem kennen uit die tijd. Hij wilde van alles, kon ook veel – hij maakte bijvoorbeeld de prachtigste pentekeningen. Hij was zelfdestructief – bleef doorzuipen – en tegelijkertijd optimistisch: dat boek zou er komen, hij ging dingen doen, mensen helpen. Met zijn scherpe lading had Theo mensen beschadigd, maar met zijn zachte kant wist hij anderen voor zich in te nemen en soms diep te ontroeren.

Die kant van hem kwam goed van pas in de baan die volgde op Straatnieuws: Theo werd in 1998 acteur bij jeugdtheatergroep Mandarijn. Samen met Johan Super, ook ex-dakloze, en een professionele regisseur maakte hij een voorstelling die beurtelings ’Hoe werd Johan dakloos?’ en ’Hoe werd Theo dakloos?’ heette.

In een jaar tijd trad de groep 130 keer op, in binnen- en buitenland, vooral op basisscholen. Kinderen mochten vragen wat ze wilden over zijn leven, Theo gaf ze vol verve antwoord. Hij kon geweldig met kinderen omgaan, kreeg zelfs de lastigste klas stil. Toch had Theo voor ieder optreden plankenkoorts. Vlak voor het begin trok hij zich even terug op de wc, met zijn tas. Het was een publiek geheim dat daar altijd wel een blikje bier in zat.

In diezelfde tijd trouwde Theo voor de tweede keer, en ook dit huwelijk strandde. Jaren later, in 2003, raakte hij op internet aan de praat met Anita, die als secretaresse in de zorg werkt. Ze spraken af op het station, Theo had een rode roos gekocht. Hij was bloednerveus, vond Anita zó leuk, dat hij er bijna bang van werd.

Zij werd ook verliefd op hem en Theo verhuisde voor haar naar Groningen. Een gelukkige periode brak aan. In de weekeinden maakten ze samen schilderijen, ze bezochten musea en voerden de eendjes en meeuwen in het park. Dat deed Theo, die dol was op dieren, als een rechtvaardige vader: elke vogel kreeg een stukje, daar zag hij streng op toe.

Voor Anita was Theo inspirerend: ze voerden diepe gesprekken over het leven en de kunst. Zij leerde vooral zijn liefdevolle, zorgzame, optimistische kant kennen: zat zij in de put, dan praatte Theo haar eruit. Anita geloofde ook in Theo’s oprechte voornemens: om zijn demonen te bezweren, dingen te doen, te leven.

Maar die voornemens bleven plannen, Theo voerde ze niet uit. Zijn borderline had hij aardig onder controle, maar de drank bleef, die had hij nodig om dat boze ’ding’ in zijn hoofd te verzachten. In gedachten leefde hij vaak met de dood, waarnaar hij wél en ook weer niet verlangde. Bij het opruimen van zijn huis vond Anita later wel acht Timf-cd’s (That’s it my friends), met muziek die Theo voor zijn uitvaart had uitgezocht.

Zo kan het niet langer, dacht Anita, ik sta stil, ik wil verder met mijn leven. Op 1 januari van dit jaar zette ze een punt achter haar relatie met Theo. Die was daar kapot van, hij werd ook vreselijk boos. Maar hij maakte ook alweer plannen: om terug te verhuizen naar Utrecht, ’zijn stadsie’.

Zo ver kwam het niet, Theo overleed op 3 april, vijftig jaar oud. Zijn hart begaf het, zijn lichaam was op.

Hij liet een voltooide roman achter – ’Hotspot’ – die draait rond zelfmoord en euthanasie. Mocht het boek ooit worden uitgegeven dan is de opbrengst, zo bepaalde Theo, voor Straatnieuws.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />