*

 

Tak, tak, tak, buffelen in een gloeiend hete mijn in Congo

Seada Nourhussen − 15/06/10, 00:00

Het geweld in Oost-Congo wordt deels gefinancierd met grondstoffen voor mobiele telefoons. Seada Nourhussen vreest, als fervent beller, dat ze bijdraagt aan bloedvergieten. Met fotograaf Jan-Joseph Stok zoekt ze naar de oorsprong van de ertsen. Van Amsterdam-West naar Oost-Congo. Aflevering 4: Het leven rond een mijn.

  • Jonge mijnwerkers. Rechts helemaal achteraan: 'Pappie', met 22 jaar de oudste. De jongens zijn rond hun elfde gestopt met naar school gaan om hier geld te verdienen. (Jan-Joseph Stok)

We zijn weer veilig terug in Bukavu, de hoofdstad van Zuid-Kivu. In de jungle van Walikale dreigde het uit de hand te lopen. Vanwege de beelden die wij hadden van de illegale vliegbaan in Kilambo, eigenlijk een gewone autoweg, hoorden we van een VN-commandant dat een kolonel van de FARDC ons wilde spreken. Omdat dat waarschijnlijk geen vriendelijk gesprek zou worden – de kolonel en zijn meerderen krijgen van de buitenlandse mineralenhandelaren vast goed betaald om niet moeilijk te doen over de illegale vluchten – hebben wij ons zo snel mogelijk met een VN-helikopter het gebied uit laten halen.

In Walikale hebben we meer van de mineralenhandel kunnen zien; de illegale transport, de overduidelijke corruptie van ambtenaren, militairen en politie, de prostitutie. Maar naar de bron van de omstreden handel die zo cruciaal is voor mobieltjes, iPods en digitale camera’s, de mijnen, konden we in Noord-Kivu niet. Te riskant. Maar in Bukavu horen we dat er in Zuid-Kivu mijnen zijn waar we wel naartoe kunnen zonder meteen gewapende groepen tegen te komen.

De weg van Bukavu naar Walungu is eerst vrijwel onbegaanbaar; modderig, hobbelig, gaten zo groot dat er na een regenbui kleine meertjes ontstaan in het wegdek. Zonder een terreinwagen met vierwielaandrijving kom je hier niet ver. Langs de weg sjouwen tengere vrouwen en meisjes met grote stapels eucalyptushout, bloemkool en houtskool, tot wel zestig kilo, op hun rug. Met een touw om hun hoofd gebonden en het gewicht over hun nek, schouders en onderrug verdeeld gaan ze letterlijk gebukt onder hun bestaan.

Dan is er opeens iets wat op asfalt lijkt. Deze weg is in 2006 gebouwd door het Canadese mijnbedrijf Banro. De weg gaat over in een deel dat door Chinezen is geconstrueerd. Bridge of friendship staat er in het Engels en in Chinese karakters bij een bruggetje in niemandsland. Een grote opslagplaats met typisch rode Chinese lampionnen. De Chinezen zijn niet alleen sterk vertegenwoordigd in Congo’s mijnbouw, ze hebben er ook hun eigen telecombedrijf CCT en hun eigen Franstalige zender CCTV met programma’s over de Chinese keuken en folklore. Het idee dat de Chinezen, anders dan voormalige kolonisatoren, alleen geld willen verdienen in Afrika en verder geen spoor van patriottisme willen nalaten, lijkt aan slijtage onderhevig.

We komen aan bij het stadje Nzibira. De weg wordt weerbarstiger, de begroeiing steeds dichter. Takken van planten en bomen zwiepen de jeep in. Dan moet de auto aan de kant en gaat de tocht te voet verder langs steile, groene heuvels. Het landschap is adembenemend, de bergen majestueus. Alles groeit en bloeit; zoete aardappelen, bananen, avocado’s, maniok. Voedseldistributie lijkt onlogisch in zo’n vruchtbaar land. Waarom zien de we dan zoveel vrachtwagens van het Wereldvoedselprogramma? Overal staan borden van de VN-missie Monuc, Unicef en allerlei kleine, lokale hulporganisaties die zich vooral bezighouden met seksueel geweld. Geen onbelangrijk aandachtsgebied in Oost-Congo, waar sinds het begin van de oorlog naar schatting 100.000 vrouwen verkracht zijn.

In de buurt van Kaniola ontmoeten we Jacqueline Magechoukeliro. Ze is 37, heeft zeven kinderen en een afwezige man. Nadat Jacqueline tien jaar geleden voor het eerst werd verkracht door zes extremistische Hutu-rebellen, liet hij haar links liggen. Hij kwam nog een paar keer thuis van de goudmijn waar hij werkt om een paar kinderen bij Jacqueline te verwekken, maar bleef verder weg. In de tussentijd werd zijn vrouw vorig jaar nog eens verkracht, deze keer door drie mannen.

Jacqueline is slachtoffer van een wrede vicieuze cirkel: vrouw wordt verkracht, man verstoot haar en vrouw loopt vervolgens zonder man in de buurt nog meer risico verkracht te worden. Vanaf de berg waar ze woont wijst Jacqueline naar de overkant. Daar zitten ze, haar verkrachters. „Ik ben nog elke dag bang dat ze terugkomen.”

Dan begint ze onophoudelijk te huilen. Jacqueline zit niet bij een praatgroep van een hulporganisatie. Ze vertelt haar verhaal nu voor het eerst. Ze krijgt een beetje hulp in haar levensonderhoud van haar schoonvader die in de buurt woont. Maar verder is ze alleen met haar zwijgende, hongerige kinderen, op haar kleine erfje met het piepkleine ronde huisje. Af en toe werkt ze op iemands land om wat geld te verdienen. En in de pas geopende goudmijn in de buurt werken, is dat een idee? „Nooit”, zegt Jacqueline. „Daar stikt het van de soldaten. Voor mij is iedere man in uniform een verkrachter.”

Volgens dokter Dennis Mukwege van het Panzi-ziekenhuis in Bukavu, dat gespecialiseerd is in het bijstaan van slachtoffers van seksueel geweld, is er een directe relatie tussen de mijnbouw en de hoge concentratie verkrachtingen in Oost-Congo. De mijnen trekken namelijk gewapende groepen aan die op zoek zijn naar een manier om te overleven.

Dan zijn we er: bij de cassiteriet- en wolframiet-mijn Mushangi in het haast onbewoonde plaatsje Dundukulu. De mijn is een enorm rotsachtig gapend gat in het landschap dat wel 30 meter de diepte ingaat. In die vreemde afgrond krioelt het van de jongens, mannen, vrouwen en kinderen. Veel kinderen. Er wordt over en weer geschreeuwd, op en neer gerend, zakken af en aan gedragen en ook wel gelachen.

De buitenlandse journalisten trekken veel aandacht. Iedereen legt het werk stil, kijkt en wijst.

Vragen of ze willen doorgaan met werken heeft weinig zin. „Ik heb honger”, zegt de een. „Geef me geld of sigaretten”, zegt een ander. De zon schijnt genadeloos, nergens is er schaduw en het is nu nog niet eens de warmste tijd van het jaar. Komt hier het spul vandaan dat in mijn mobieltje zit? Halen deze kinderen dit spul voor mij op deze snikhete zaterdagmiddag met hun blote handen uit de rotsen in plaats van te spelen met hun vriendjes? Mijn Nokia-telefoon, iPod en Canon-camera branden in mijn zakken.

We dalen af naar de gaten in de mijn. De mijnwerkers springen behendig op blote voeten van rots naar rots, terwijl wij ons onhandig voortbewegen op onze stevige wandelschoenen.

Er zijn allerlei niveaus waar steeds andere dingen gebeuren. Onderaan komen we vrouwen tegen die met het laatste proces in de mijn bezig zijn voordat het in zakken gestopt wordt: het zeven en wassen van de gedolven ruwe mineralen. In een poeltje water staat Bati (ze weet niet hoe oud ze is) voorover gebogen cassiteriet te wassen. Ze komt uit Mulambula, FDLR-gebied zo’n 100 kilometer zuidwestelijk van Bukavu.

Nadat de Hutu-rebellen met het regeringsleger in gevecht raakten, vluchtte Bati vorig jaar met haar man en vier kinderen naar Dundukulu. Nyabade (50) is ook gevlucht voor FDLR-rebellen. Maar zij is alleen, haar man en drie kinderen zijn door de rebellen meegenomen. Ze heeft ze nooit meer gezien.

De vrouwen werken elke dag van zes uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds, als het pikdonker is. Als ze ongeveer een kilo schone cassiteriet weten te produceren, krijgen ze rond de 800 Congolese franc, zo’n 75 cent. Net genoeg om wat meel te kopen, maar te weinig om hun kinderen naar school te sturen, zegt Bati.

En Bati’s man? Wat doet hij? „Hij is thuis. Ik werk voor het gezin, maar dat weet hij niet. Ik zeg nooit hoe ik aan mijn geld kom. Ik wil niet dat hij zich schaamt dat zijn vrouw voor het gezin zorgt.”

Achter Bati staat een klein kind. Het is Konkwa, een mooi meisje van zeven jaar, de jongste die we zien. Ze doet hetzelfde werk als haar moeder, die even verderop aan het werk is. „Het werk hier is zwaar en ik snij me soms aan de scherpe stenen omdat ik geen schoenen heb.”

In verscheidene gaten in de mijn werken vaste teams van mannen en jongens. Het gat pachten ze van de eigenaar van de colline (mijnheuvel), de 75-jarige eigenaar die deze berg al ruim vijftig jaar bezit. De gravers betalen de eigenaar eenmalig 50 dollar, dat geeft hun het recht om in zijn mijn te mogen graven. Daarna moeten ze elke donderdag al hun opbrengst bij hem inleveren. Ook bij de militairen die hen zogenaamd beschermen, weliswaar op enkele tientallen kilometers afstand in Nzibira, moeten ze eens per week een dagopbrengst inleveren. In sommige mijnen moeten de gravers ook een dag werken voor het dorpshoofd. De overige vier dagen werken ze voor zichzelf.

Helemaal bovenaan in de mijn werken zes jongens tussen de 14 en 22 jaar in een diep, smal gat waar ze wolframiet uithakken met een hamer en een houweel. Een van hen komt net van vijftien meter diep naar boven, een zaklamp om zijn voorhoofd gebonden. Zijn lichaam zit onder het glinsterende poeder dat van de stenen komt. „We hebben geen touw. We klimmen met onze handen en voeten tegen de wand naar beneden en boven”, vertelt een jongen die zichzelf ’Pappie’ noemt en 22 jaar is. Hij is de oudste van het stel en de woordvoerder.

Pappie, die een lui oog en een gespierd lijf heeft, en zijn vrienden werken hier zeven dagen per week van zes uur ’s ochtends tot zes uur ’s avonds. „Het werk is zwaar en gevaarlijk, maar we moeten. Anders hebben we niks te eten. Er is in deze omgeving niks anders te doen.”

Of hij wel eens bang is geweest om die diepe, nauwe ruimte in te gaan? „Natuurlijk. We bidden voordat we naar binnen gaan. Op vijf meter is er al minder zuurstof. Helemaal onderin hebben we echt moeite met ademhalen en last van onze luchtwegen. Als het geregend heeft en de rotsen zijn glad, vallen we vaak. Er gebeuren veel ongelukken.”

Weten Pappie en zijn kameraden wat er met het spul gebeurt dat zij elke dag uit de rotsen hakken? Ze schudden hun hoofd. „Ik weet wel dat mensen buiten Congo er veel geld aan verdienen”, zegt Gyves (18). „Maar waarmee ze het verdienen? Dat weet ik niet. Ik heb iets gehoord over wapens.” Gyves zit even uit te rusten bij een ander gat, zo’n tien meter lager. Een paar andere rusten ook uit. Ze eten geen boterham, maar delen een joint.

Ook Gyves en zijn werkmaten hebben fysieke klachten. „Doordat we de diepte in moeten, krijgen we vaak hoofdpijn. Soms valt er iemand flauw en moet hij weggehaald worden uit het gat.” De dichtstbijzijnde medische post is 25 kilometer verderop, en er is geen weg.

Tak, tak, tak; Gyves werkmaten buffelen door. De jongens houden netto zo’n 50 eurocent per dag over aan hun harde werk. „Natuurlijk droom ik van een ander leven. Ik zou chauffeur willen zijn, of boer. Maar wat heeft het voor zin dat ik u dat vertel?”, zegt Pappie gefrustreerd. „Het gaat toch niet gebeuren.”

mailIcon print |