*

 

Wat moeten we doen met al dat erfgoed?

Seije Slager − 19/06/10, 00:00

Het wemelt van de leegstaande fabrieken, kloosters, en ander erfgoed. Slopen vinden we tegenwoordig zonde. Liever wordt er een nieuwe – liefst culturele – bestemming voor de gebouwen gezocht. In de praktijk blijkt het lastig om dan de begroting rond te krijgen.

  • Een productiehal die een nieuwe functie krijgt in 'Sugar City'. (FOTO'S: PATRICK POST)
  • Twee oude silo's van CSM suikerfabriek in Halfweg schitteren als kantoortorens in het avondlicht. (Patrick Post)
  • (Trouw)
  • Op het terrein van de CSM suikerfabriek in Halfweg zijn al twee silo's omgebouwd tot glanzende kantoortorens (door bureau Soeters Van Eldonk). Elders wordt nog druk gewerkt. (Patrick Post)

Nadat stilstand het terrein twintig jaar lang in zijn greep had, is er eindelijk weer activiteit in de oude CSM-fabriek van het dorp Halfweg. De suikerfabriek wordt veranderd in ’Sugar City’. Alle asbest is verwijderd, in een hoek van de enorme ruimte vliegen de vonken van een lasapparaat in het rond, en Luigi Prins staat over een ijzeren balustrade gebogen. Een ander ziet misschien een donkere ruimte met een hoop roestend metaal, hij ziet overal de contouren van het levendige winkelcentrum, dat hier moet verrijzen.

Hij filosofeert over wat deze oude hal zo bijzonder maakt: „In een suikerfabriek waren alle fabrieksprocessen verticaal georganiseerd. Je hebt dus een prachtig atrium in het midden. Dat geeft een spectaculair effect, dus dat laten we in stand”. Hij wijst naar de onderkant van een ronde ijzeren tank die een paar verdiepingen naar beneden komt: „De meest bijzondere lampekap ter wereld.”

Prins is niet op de hype van de laatste jaren mee gelift. Hij is al een kwart eeuw bezig met het opknappen en hergebruiken van gebouwen, die hun oorspronkelijke functie hebben verloren. Hij vertelt over het eerste spraakmakende project dat Cobraspen, zijn ontwikkelbedrijf, ter hand nam. „De Spaarnekerk in Haarlem werd gesloopt. Wij hebben toen de torenspits van de sloper gekocht, en die op een kiosk in Schalkwijk gezet. De boeren van Schalkwijk hadden ooit het geld voor die kerk bijeengebracht, dit was een manier om daar symbolisch iets van terug te geven.”

Was dat destijds een opzienbarend project, inmiddels kan er geen fabriekshal of kerk meer leeg staan, of er wordt een comité opgericht om het een nieuwe – liefst culturele – bestemming te geven. En zomaar slopen is er zeker niet meer bij: dat stuit vaak op verzet van omwonenden.

„Het is inderdaad een beetje een hype geworden”, lacht Koos Havelaar, voorzitter van de stichting Haags Industrieel Erfgoed. Hij is daar overigens niet rouwig om. „De tendens was altijd: we vegen het schoon en beginnen opnieuw. Dat hebben we weten te keren.”

Maar daardoor dient zich een nieuw probleem aan. Er staan namelijk niet zomaar een paar gebouwen leeg, er staat gigantisch veel leeg. Frank Strolenberg, die bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed het herbestemmingsprogramma leidt, verduidelijkt: „Wij zeggen hier altijd: een boerderij per dag, twee kerken per week, en een klooster per maand. Dat komt er allemaal vrij. En dan hebben we het nog niet eens over al het industriële erfgoed, en alle defensieterreinen. De noodzaak wordt dus steeds groter om daar iets slims voor te verzinnen.”

En niet altijd gaat dat goed. Een paar voorbeelden van geslaagde cultuurparken zijn in heel Nederland bekend. De Westergasfabriek in Amsterdam bijvoorbeeld: dat is nu een ’cultuurpark’ geworden; de gebouwen van de voormalige gasfabriek zijn gevuld met horeca, expositieruimtes en culturele instellingen. Maar bij het kopiëren van zulke voorbeelden stuiten lokale initiatieven vaak op beperkingen.

Een rondgang door Nederland leert dat er in het herbestemde erfgoed van Nederland aardig wordt gesukkeld en gekwakkeld. In Den Helder bijvoorbeeld, waar de marine zich in 1992 terugtrok van de Rijkswerf Willemsoord. De gemeente droomde dat de werf zou uitgroeien tot een toeristische trekpleister, maar na achttien jaar is het beeld op zijn best gemengd. Het terrein is mooi gerestaureerd, er hebben zich een paar cafés gevestigd en het Nationaal Reddingsmuseum houdt er kwartier. Maar een groot deel van de panden staat nog steeds leeg, het gemeentebestuur viel al eens na een ruzie over de manier om het terrein exploitabel te maken, en het project als geheel lijdt nog steeds verlies.

Maar in Den Helder hebben ze de moed in ieder geval nog niet opgegeven. In Groesbeek besloot de gemeenteraad onlangs om de oude schoenzolenfabriek in het centrum van het dorp te slopen. Enkele bewoners hadden een comité opgericht om te pleiten voor het behoud van het karakteristieke gebouw. Ze wilden er graag een cultureel centrum van maken, onder verwijzing naar enkele succesvolle projecten in Enschede.

„Dat was een heel loffelijk streven”, zegt CDA-raadslid Rob Verheijen. „Maar we hebben alles goed doorgerekend en het was een mission impossible. Men kwam met goede ideeën, maar niet met een concreet plan voor de exploitatie. Dan wordt het lastig.” En een culturele bestemming, dat zat er sowieso niet in. Zo groot is Groesbeek nou eenmaal niet. „En we hebben hier al een cultureel centrum, met ruimtes voor kunstenaars. Die staan voor de helft leeg.”

En dus gaat de schoenzolenfabriek binnenkort tegen de vlakte. Steenfabriek Fivelmonde in Delfzijl staat er nog wel. In 2002 hield de fabriek, als laatste van haar soort in Delfzijl, op met bakstenen produceren. Maar eigenaar Jan Hijlkema vond het wel belangrijk om iets van het erfgoed te behouden. „De steenindustrie is heel belangrijk geweest voor Delfzijl. Dat wilden we niet geruisloos laten verdwijnen.”

Hijlkema richtte een stichting op, die van het gebouw een museum maakte. „Kinderen leerden hier iets over het verleden van de steen-industrie. Ze konden kleien, bloempotten maken, ze vonden het prachtig.” Hijlkema hield het bewust kleinschalig. „Nee, geen business plan met een miljoenenbegroting. We wilden laagdrempelig beginnen.”

Maar uiteindelijk moest hij na drie jaar de boel toch weer sluiten. „Aan het eind van het jaar stond er steeds een bedrag in de verkeerde kleur onder de streep. Dan houdt het een keer op. Het was geen groot bedrag, dus ik snap niet dat de gemeente daar niet een beetje in bijgesprongen is.”

Koos Havelaar kent meer van zulke voorbeelden. „De eerste reflex is vaak om iets cultureels met zo’n gebouw te doen. Meestal is men heel erg geneigd om er een museum van te maken, dat gerelateerd is aan de vroegere functie van zo’n gebouw. Maar daar blijkt vaak weinig behoefte aan te zijn.”

Gemeenten die structureel bijspringen bij de verliesgevende exploitatie van een oud gebouw, die zijn er eigenlijk niet. „Uiteindelijk moet de begroting kloppen”, zegt Frank Strolenberg. „Wat daarbij lastig is, is dat het vaak veel kost om zo’n oud gebouw te verbouwen voor een soort gebruik, waar het oorspronkelijk niet voor bedoeld was. Volgend jaar komt er een regeling, die het gemeenten en andere initiatiefnemers makkelijk maakt om in het begin eenmalig bij te springen, bijvoorbeeld bij het uitvoeren van een haalbaarheidsstudie. Of bij het wind- en waterdicht maken van het gebouw, om het ergste verval te stoppen.”

En dan zijn er nog gemeenten, zoals Amsterdam, die oude gebouwen gebruiken voor hun ’broedplaatsenbeleid’ – werkplekken voor jonge kunstenaars. „Maar er hoeft natuurlijk geen cultuur in”, zegt Strolenberg. „De laatste jaren wordt er steeds meer nagedacht over andere dan culturele functies voor zulke gebouwen. Zorgfuncties bijvoorbeeld – ouderen voelen zich vaak veel sneller thuis in een oud gebouw met karakter dan in een nieuwbouw bejaardenhuis.” Hij haalt ook met instemming het voorbeeld van de gemeente Oude IJsselstreek aan: een jonge fusiegemeente, die haar nieuwe raadszaal onderbracht in de oude DRU-fabriek in Ulft.

Ook Luigi Prins kijkt bij zijn plannen voor Sugar City niet alleen naar cultuur. Er komt waarschijnlijk een bioscoop op het terrein, maar er zijn ook duizenden vierkante meters commerciële bedrijfsruimte in de twee oude silo’s. In de toekomst moeten er een hotel, een supermarkt, een restaurant en een casino verrijzen.

Dan dient zich toch de vraag aan: is dat niet wat al te ambitieus voor een klein dorp als Halfweg? Kunnen de 2500 inwoners en de 7500 van het nabijgelegen Zwanenburg, dat allemaal ondersteunen? Prins denkt graag groter: „Wij liggen hier op zeven kilometer van Amsterdam, Haarlem en Schiphol, en er liggen overal snelwegen. Dankzij ons project krijgt Halfweg ook weer een eigen treinstation. Dat is dus niet te vergelijken met Willemsoord in Den Helder, dat ligt toch een beetje aan het eind van de wereld. En bovendien: het hoeft niet in één keer vol.”

Prins gelooft bovendien dat veel bedrijven liever in een pand met geschiedenis zitten. Hij loopt naar een muur met een gat erin. „Kijk, dat kan je helemaal dicht gaan stucen. Maar je kunt er ook gewoon een mooie glasplaat tegenaan zetten, dan heb je een prachtige doorkijk. Dat is goedkoper, en je behoudt ook nog eens het karakter van het gebouw.”

Toch is niet iedereen blij met de ontwikkelingen in Sugar City. Veel buurgemeenten vrezen dat het project hun werkgelegenheid wegslurpt. En ook in Halfweg zelf wordt hier en daar gemord. Paul Kok van de ondernemersvereniging is genuanceerd. Sugar City moet er zeker komen, zegt hij, het kan Halfweg een zet geven. Maar hij vraagt zich ook af wat het project betekent voor de leefbaarheid van het dorp. Kan Halfweg straks de toegenomen verkeersstromen aan? En worden de winkeliers die nu in het dorp zelf zitten straks niet weggeconcurreerd door de vele nieuwe bedrijvigheid op het terrein?

Prins wuift zulke bezwaren weg. „Iedereen is altijd bang voor verandering, en probeert zijn eigen zaakjes te regelen. Maar volgens mij heeft het publiek er alleen maar baat bij als men meer te kiezen heeft. Als hier iets speciaals gebeurt, dan heeft dat een geweldige uitstraling op de hele regio.”

mailIcon print |