Jongeren zitten vooral op het vmbo omdat ze iets niét kunnen. Rineke van Daalen ontdekte tijdens het jaar dat zij op een vmbo rondliep dat het schooltype gebukt gaat onder vele kwalen.
’Het zijn doeners, geen denkers.’ Vraag een willekeurige leraar in het vmbo zijn leerlingen te karakteriseren en de kans is groot dat hij een opmerking als deze maakt. Vmbo’ers blinken niet uit in kennisvakken als taal en rekenen, bedoelen ze. Maar ze hebben andere talenten, zoals ’met hun handen werken’, en daar kunnen ze trots op zijn.
Een goedbedoelde opmerking. Maar zijn vmbo’ers echt trots op hun talenten? Nee, zo valt op te maken uit ’Het vmbo als stigma’ van Rineke van Daalen. Want deze jongeren zitten niet op het vmbo omdat ze goed met hun handen kunnen werken, maar omdat ze slecht zijn in kennisvakken. Ze zijn, kortom, geen vmbo’er omdat ze iets kúnnen, maar omdat ze iets niét kunnen. En dat voelen ze.
Van Daalen, sociologe aan de Universiteit van Amsterdam, heeft haar boek geschreven als „correctie op het ongegeneerde schrikbeeld dat journalisten en andere toonaangevende Nederlanders van het vmbo schetsen”. Waar komt die ’onverbloemde stigmatisering’ vandaan, wilde ze weten. Om daar achter te komen bracht ze onder meer een jaar lang een middag per week door op een vmbo-school; dat leverde inzichten op die in beleidsrapporten of kranten zelden te vinden zijn.
Veel van wat er op vmbo-scholen te zien is, wijkt waarschijnlijk niet fundamenteel af van wat ook in havo- en vwo-klassen vaak genoeg valt waar te nemen. Overal zijn tenslotte wel leerlingen te vinden die niet gemotiveerd en zonder discipline met hun schoolwerk bezig zijn.
Maar op het vmbo doet zich dat verschijnsel versterkt voor, merkte Van Daalen. Leerlingen hebben er soms al een lange geschiedenis van falen achter de rug, of zien het nut van school niet. Sommigen geven zichzelf, anderen de buitenwereld de schuld van hun matige prestaties. Hard werken is voor hen een risico, want zolang ze zich niet voor hun schoolwerk inspannen, kunnen ze slechte cijfers aan hun luiheid toeschrijven, in plaats van aan hun eigen onvermogen.
Opvallend is ook de enorme preoccupatie met niveaus en prestaties die Van Daalen waarnam, onder leraren én scholieren. Leraren vragen zich steeds af of leerlingen wel op het juiste niveau zijn ingedeeld: hoort iemand op basis- of toch op -kaderniveau? De leerlingen zelf maken zich zorgen of ze ’het’ wel halen, zijn voortdurend op zoek naar bevestiging – ’Ik ga over, hè meester’. Dat beïnvloedt hun gevoel van eigenwaarde sterk.
Vooral leraren verwijt Van Daalen een veel te begrensde opvatting van hun taak. Ze beperken zich te zeer tot het afvinken van die ene opdracht, het beoordelen tijdens die ene les. Zelden bewegen zij leerlingen ertoe om na te denken over hun eigen toekomst, over wat ze willen worden. Ze zijn, in Van Daalens woorden, te veel bezig met het ’niveau’ van hun leerlingen en te weinig met hun ’ambitie’.
Wat er in de klas gebeurt, weerspiegelt het profiel van het vmbo als geheel, betoogt Van Daalen. In feite biedt het vmbo weinig om trots op te zijn. Het leidt niet direct op voor een beroep, zoals vroeger het lager beroepsonderwijs; beroepstrots speelt in het vmbo dus een kleine rol. In plaats daarvan is de aandacht voor algemene vakken gegroeid. Maar daarmee valt evenmin veel eer in te leggen, want juist in deze vakken zullen vmbo’ers altijd lager blijven scoren dan havisten en vwo’ers.
Zo bezien valt de stigmatisering van het vmbo misschien minder aan de eenzijdige blik van journalisten te wijten – zoals Van Daalen herhaaldelijk en niet geheel zonder reden beweert – dan aan de kenmerken van het Nederlandse onderwijsstelsel als geheel. Die conclusie dringt zich temeer op vanwege het sluitstuk van Van Daalens analyse. Zij stelt dat dat stelsel maar op één criterium selecteert: cognitieve vermogens. En dat wreekt zich vooral in het vmbo, want wie zo eenzijdig selecteert, schept als vanzelf een schoolsoort vol niet-kunners.
Van Daalens remedie overtuigt minder dan haar analyse. Laten we afstand nemen van die ’cognitieve standaard’, van die eenzijdige nadruk op cognitief niveau, bepleit zij. Laten we leerlingen aanspreken en beoordelen op hun persoonlijke ambitie, op welk gebied die ook ligt, en hen helpen die te verwerkelijken. Alleen zo kunnen we vmbo’ers ’betrokken en geïnspireerd aan het werk krijgen’. Dat klinkt utopisch, want die cognitieve standaard is diepgeworteld in de Nederlandse onderwijstraditie. Het is daarom bijna een revolutie die Van Daalen bepleit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.