*

 

Moeizaam compromis

Jan Kleinnijenhuis en Gijs Moes − 11/05/10, 00:00

Het Europese reddingsplan voor de euro, waarmee duizelingwekkend hoge bedragen zijn gemoeid, is juichend ontvangen. Hoe terecht is dat?

  • Minister van financiën, De Jager, oogt maandagmiddag ontspannen tijdens het debat met de Kamer over het Europese steunpakket.  (FOTO ROBERT VOS, ANP)
    Minister van financiën, De Jager, oogt maandagmiddag ontspannen tijdens het debat met de Kamer over het Europese steunpakket. (FOTO ROBERT VOS, ANP)

Zevenhonderdtwintig miljard euro. Dat is het bedrag dat de Europese landen samen met het IMF op tafel leggen om de crisis rond de overheidsfinanciën en de gevolgen voor de euro te bezweren. De Europese Centrale Bank gaat rechtstreeks staatsleningen opkopen om de inspanningen van de regeringsleiders te ondersteunen. Financiële markten reageren jubelend, politici claimen een belangrijke overwinning op de verfoeide speculanten. Maar het steunpakket roept tegelijkertijd nog een boel vragen op.

Is dit de redding van de eurozone?

Daar lijkt het op dit moment wel op. De beurskoersen schoten gisteren omhoog en de euro steeg in waarde. De tactiek om een enorm bedrag te noemen – 720 miljard euro – heeft indruk gemaakt.

Maar dat geld ligt op dit moment nog niet klaar. Voor een volgend land in nood miljardensteun krijgt, moeten eerst alle eurolidstaten toestemmen. Bovendien is er overleg nodig met het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

Op de langere termijn is het ook de vraag of dit de ideale oplossing is voor problemen in de eurozone. De Europese Commissie pleitte, met steun van Frankrijk, voor een andere aanpak. De commissie wilde zelf geld kunnen lenen, met garanties van de lidstaten. Maar Nederland en Duitsland wilden daar niet aan beginnen, zij hielden vast aan een aanpak waarin de lidstaten het laatste woord hebben.

Het verschil lijkt subtiel, maar het is essentieel. De commissie stuurde aan op nieuwe, centrale bevoegdheden. Als zij haar zin had gekregen, zou ze een stap zetten op weg naar een duidelijk economisch bestuur voor de hele eurozone.

Het compromis dat nu uit de bus is gerold, zal regelmatig blijven zorgen voor moeizaam overleg. Het biedt iedere keer opnieuw ruimte voor dwarsliggers die andere lidstaten niet uit de brand willen helpen. Dat kan, net als in het geval van Griekenland, de problemen verergeren.

Waar komt 720 miljard euro vandaan?

De bedoeling is dat de Europese Commissie zelf 60 miljard op de kapitaalmarkt leent. Dat kan zij doen omdat landen geld afdragen aan de EC – een vorm van zelfstandige inkomsten waartegen geleend kan worden.

Het IMF heeft toegezegd maximaal 220 miljard te willen bijdragen, wanneer eurolanden dusdanig in de problemen zitten dat zij zelfstandig niet meer kunnen lenen. Het is niet duidelijk welke voorwaarden hieraan zijn verbonden, maar waarschijnlijk worden er forse bezuinigingsmaatregelen verlangd vóór er geld wordt overgemaakt – net als bij de eerdere leningen aan Griekenland.

Daarnaast geven de verschillende lidstaten garanties af aan zwakke landen die geld willen lenen – voor maximaal 440 miljard euro. Er wordt dus niet zoals eerder bij Griekenland geld aan andere landen geleend. Een zwak euroland leent zelfstandig geld op de markt, en de overige landen beloven garant te staan dat het geld wordt terugbetaald. Daarmee is het risico voor beleggers dat zij hun geld niet terugzien veel lager, en daalt ook de rente die zij eisen om het geld uit te lenen.

Het is te vergelijken met de garanties die de Nederlandse staat beschikbaar stelde voor financiële instellingen in het najaar van 2008. Niemand durfde nog aan banken geld uit te lenen, dus stelde de staat voor maximaal 200 miljard aan garanties op bankleningen beschikbaar. De banken leenden weer geld tegen lagere rente, en de staat komt pas in beeld op het moment dat er niet kan worden terugbetaald. Uiteindelijk leenden banken lang geen 200 miljard: de teller bleef steken op bijna 50 miljard euro.

Het gevaar is dat hiermee de risico’s worden onderschat. Er wordt niet daadwerkelijk uitgeleend, maar garanties tellen als puntje bij paaltje komt even zwaar: of Griekenland nu een Nederlandse lening niet terugbetaalt, of een lening aan een bank waarvoor Nederland garant staat, maakt geen verschil. In beide gevallen zal Nederland het verlies moeten dragen.

Is dit ook echt het maximum?

Dat is nog maar de vraag. Het noemen van een concreet bedrag heeft twee voordelen: het maakt veel indruk, want het gaat om gigantisch veel geld. Aan de andere kant is het ook meteen duidelijk dat er wel een plafond is. Vooral Duitsland drong daar op aan.

Maar het is de vraag of dat plafond het houdt als het er echt op aankomt. Als bijvoorbeeld Spanje en Portugal fors gesteund moeten worden, kan de 720 miljard euro in twee jaar opgesoupeerd worden. Dan is het onwaarschijnlijk dat de eurolanden zullen zeggen: Sorry, het geld is op. Net als bij de bankencrisis ligt het voor de hand dat er in dat geval nog meer bij moet. Daarvoor zal dan wel nieuw, moeizaam overleg nodig zijn.

Verschillende eurolanden pleitten er zondagnacht voor om helemaal geen maximum te noemen. De Spaanse minister van financiën, Elena Salgado, hield vol dat de EU ’alles wat nodig is’ uit de kast zal halen om de euro te beschermen.

Waarom moest het allemaal zo lang duren?

Het gaat natuurlijk om heel veel geld en dus is het logisch dat er niet snel even een deal gemaakt kon worden. Maar belangrijker is dat er grote politieke en economische meningsverschillen bestaan binnen de Europese Unie en de eurozone, die een compromis moeilijk maakten.

Die meningsverschillen komen neer op de twee woorden die voortdurend terugkeren in de discussies: solidariteit en verantwoordelijkheid. Frankrijk en de zuidelijke landen beklemtonen de solidariteit van de sterkeren met de zwakkeren. Dat lijkt opportunistisch maar het is economisch ook logisch. Een muntunie zonder onderlinge solidariteit is gedoemd te mislukken.

Duitsland en Nederland hameren vooral op de verantwoordelijkheid. Iedere lidstaat moet zelf zijn financiën op orde houden. Als dat niet lukt, moet zo’n land straf krijgen. Dat lijkt eerlijk maar het is economisch gezien wel riskant. Deze aanpak kan alleen werken als de landen elkaar ook echt aan de afspraken kunnen houden en daarvoor ontbraken tot nu toe de sancties. Er zijn voorstellen om die sancties nu te verscherpen.

Waarom hing Nederland aan de rem?

Net als Duitsland wil Nederland niet dat de Europese Commissie veel meer macht krijgt. De garanties die de commissie vroeg, kwamen volgens minister Jan Kees de Jager neer op een blanco cheque. Dat soort verplichtingen tekenen is niet populair in Nederland en Duitsland, ook niet in de parlementen.

Door de druk van deze twee landen houden de lidstaten bij iedere volgende reddingsoperatie het laatste woord. Bovendien krijgt het IMF een belangrijke rol, dat was een uitdrukkelijke wens van Nederland. Het IMF heeft veel ervaring met de aanpak van landen die diep in de schulden zitten.

Andere Europese landen, zoals Frankrijk, vinden dat de eurozone zijn eigen boontjes moet kunnen doppen.

Kunnen we de euro niet beter afschaffen?

Nee. De gemeenschappelijke munt biedt zeker een handelsland als Nederland zoveel voordeel, dat dat heel onverstandig zou zijn. Bovendien was de gulden in de praktijk ook niet echt ’zelfstandig’, maar gekoppeld aan de Duitse Mark.

De vraag is wel of landen als Griekenland en misschien Portugal zelf goed af zijn binnen de eurozone. Voor die tijd konden ze hun munt devalueren en zo hun producten aantrekkelijker maken voor het buitenland. Nu zijn ze als zwakke leerlingen van de klas, die niet kunnen meekomen.

Maar uit de eurozone stappen levert een land heel veel praktische en economische problemen op. De Griekse bevolking zou het dan nog zwaarder krijgen dan nu. Voor de eurozone levert het lozen van Griekenland ook niet veel voordeel op. Er blijft immers altijd één de zwakste van de klas.

mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />