*

 

Milieucriminaliteit: Moord op termijn

Hans Marijnissen − 03/05/10, 00:00

Op het hoofdbureau van Interpol in Lyon voert de Nederlander Emile Lindemulder de strijd tegen de milieucriminaliteit aan. Alleen een mondiale aanpak zal slagen.

  • In New Delhi worden computers die in rijke landen zijn afgedankt, weer verhandeld. (EPA )

Hij heeft niet de meest begeerde stoel op de burelen van het General Secretariat te Lyon. Sterker nog: geruime tijd was de plek van Emile Lindemulder als Pollution Officer op het milieuprogramma van Interpol zelfs onbezet. Internationale milieucriminaliteit is door de lidstaten nog niet aan de zes prioriteiten van Interpol toegevoegd en de volledig externe financiering van het milieuprogramma is al jarenlang een groot probleem.

Nederland vond in 2008 dat dit zo niet langer kon, en het ministerie van Vrom (milieu), justitie en de politie schraapten samen voldoende geld bijeen voor één gedetacheerde post in Lyon. En werden daarmee in één klap de grootste sponsor van het Interpol Milieuprogramma.

Ze leverden toen ook maar zelf de deskundigheid aan, in de persoon van Lindemulder. Hij is namelijk een geheel ’blauwgeverfde’ milieuexpert, zeggen ze bij de politie. Afgestudeerd in milieuhygiëne aan de Universiteit Wageningen, en daarna jarenlang ervaring als politieman opgedaan, zelfs als straatagent in de meest uitdagende buurten van Den Haag. Met die achtergrond is Lindemulder nu de spin in het web als het gaat om informatieverzameling en analyse over internationale milieudelicten. Samen met zijn Australische collega David Higgins die verantwoordelijk is voor het coördineren van internationale operaties, en twee assistenten vormt Lindemulder de kleine eenheid die milieuhandhavers in de hele wereld moet helpen effectiever tegen deze criminaliteit op te treden.

Interpol is géén internationaal politiekorps dat overal ter wereld zelfstandig onderzoeken draait en arrestaties verricht. De primaire activiteit is het ’faciliteren van de informatieuitwisseling en – analyse’ tussen de opsporingsdiensten van de lidstaten. Dat zijn er inmiddels 188. Daarnaast houdt Interpol databases bij van gezochte personen, gestolen voorwerpen, vingerafdrukken en DNA.

Lindemulder heeft inmiddels steeds beter zicht op de wereldwijde activiteiten van de milieu-maffia, en hij is daar niet vrolijker van geworden, maar wel strijdvaardiger. „In de milieucriminaliteit is de verhouding tussen noord en zuid een centraal thema”, zegt hij. „Tussen de ’have’ en de ’have not’. Afval bijvoorbeeld loopt letterlijk naar het laagste punt. In de ontwikkelde landen wordt geproduceerd en geconsumeerd, in de onderontwikkelde landen wordt de afgedankte apparatuur illegaal gedumpt en op een onveilige manier verwerkt.”

Wij in het Westen zijn nu blij met al die flatscreens, maar een oud beeldscherm bevat zeven kilo lood, zegt Lindemulder. „Dat wordt in ontwikkelingslanden op een onverantwoorde wijze verwerkt, waardoor er nu bijvoorbeeld in West-Afrika dorpen zijn die hun water in tankwagens moeten laten aanvoeren. Zo vervuild is het daar.”

Het moeilijke is, zegt hij, dat milieucriminaliteit zelden aanwijsbare slachtoffers kent. „Niemand krijgt een pistool op zijn hoofd gericht, er liggen geen lijken op straat. Het tast het veiligheidsgevoel dus ook niet direct aan. Toch kan milieucriminaliteit ’moord op termijn’ zijn. Want laten we wel wezen: het gebeurt vaak met voorbedachten rade.”

Die onderschatting van het effect van milieucriminaliteit ziet Lindemulder in veel landen ook terug in de strafmaat voor zulke vergrijpen. „Je kunt deze vorm van georganiseerde misdaad in ernst, aard en omvang vergelijken met internationale drugs- en wapenhandel. De daders zijn gevaarlijke criminelen, die zich verrijken, slachtoffers maken, en zich zelfs schuldig maken aan liquidaties. Toch zijn de straffen voor milieudelicten vergeleken met de illegale winsten erg laag, en moet er voor een veroordeling vaak een direct verband worden bewezen tussen het milieuvergrijp nu, en de schade die mens en milieu daar in de toekomst van oplopen. Terwijl de risico’s wetenschappelijk onbetwist zijn. Zolang de straffen laag zijn, blijft milieucriminaliteit financieel zeer aantrekkelijk.” Een ander gevolg van de lage prioriteit voor milieucriminaliteit is dat ook de opsporingsinzet en daarmee de pakkans wereldwijd gezien relatief laag is.

Vanuit een risicobenadering, zegt Lindemulder, moet je aannemen dat Nederland als transferland met grote zee- en luchthavens een belangrijke rol in het internationale web heeft. „Er is meer onderzoek nodig om dit te kunnen boekstaven, en ik hoop dat we door onze lidstaten in die gelegenheid worden gesteld. Milieucriminaliteit is sterk internationaal gericht, en alleen een mondiale aanpak kan de daders terugdringen. Maar de feiten zijn dat het Interpol Milieuprogramma op dit moment nog maar voor één jaar voldoende financiering heeft. We zullen dus heel snel milieuautoriteiten in andere landen moeten overtuigen om het Nederlandse voorbeeld te volgen en in ons werk te investeren met menskracht en geld. Daarom is 2010 voor ons het jaar van de waarheid.”

mailIcon print |